Gedichten


Het begin van het ware leven


Putdeksel met Nering Bögel bv Weert

Deze week fietste ik eraan voorbij:
een man, ook nog goedgekleed, groef met z’n hand in een put.
Ik fietste eraan voorbij,
vroeg niet wat hij zocht,
knielde niet naast hem neer,
stak geen helpende hand in de smurrie.

Wat is er tevoorschijn gekomen?
Een groeibriljant, een ooglens een winnend lot?

Ik weet het niet en dat spijt mij.
Wat spijt dat mij, dacht ik steeds
en nu nog regelmatig.

Nu ken ik een put
een put met een deksel, en een geheim.
Voor een put is dit het beste wat er kan gebeuren.
Iemand laat iets in hem vallen,
iemand wil het terug.

Zo begint het.

Het wordt nacht en ik droom,
het wordt dag en ik wil weten
hoe hij heet
keer terug en zie
in oud metaal,
zeg zijn letters, allemaal:

Nering Bögel B.V Weert.

De put voelt zich liggen.
Ja, zo heet hij.
Nog nooit is er zoiets gebeurd.
Als hij op kon staan deed hij het,
als hij kon zwellen zou hij dat doen.
Hij blijft liggen,
strak in de straat,
een echte Bögel B.V.

Wat je ziet is ijzer
maar van binnen klopt de trots,
de trots van: ik ben deze put
en ik ben een geheim.
Iemand laat iets in mij vallen,
iemand komt terug

Nu weet hij het:
zo begint het.

De poëzie ligt echt op straat. In de vorm van een put deze keer. Helemaal fijn dat deze van Nering Bögel was. Die begon ooit, lang geleden in Deventer en werkt dus nog steeds door. In de poëzie.


Wil je me blijven zien

Ben vergeten brood te kopen
heb’t het vuilnis niet op straat gezet
ook de kraan weer laten lopen
niet op de kinderen gelet.
De kachel te hoog afgesteld
de hond ’s nachts niet meer uitgelaten
mijn moeder niet meer teruggebeld
vis geserveerd met duizend graten.
Alle klussen zwart betaald
bij de film in slaap gevallen
de foute tandpasta gehaald
en tot overmaat van ramp
mijn puzzelprijs laten vervallen.

Maar als ik lastig word misschien
Wil je me dan blijven ZIEN?

Het schilderij scheef opgehangen
het bord van woede stuk gegooid
bijen in een pot gevangen
en een vogeltje gekooid.
Alle buren niet gegroet
de spitskool te ver doorgekookt
geleefd op veel te grote voet
en als een ketter doorgerookt.
Het formulier heb ik natuurlijk
expres met fouten ingevuld
en in contact met ouderen
toon ik steevast geen geduld.
De rekening is niet betaald
oud zeer heb ik weer opgerakeld
het kerstmenu alleen bepaald
en glaswerk torenhoog gestapeld.
Zeven verjaardagen verzuimd
misverstanden niet vertaald
alle kroegen afgeschuimd
en ook nu, het spijt me zeer…
ook mijn prik weer niet gehaald.

Maar als het echt niet gaat misschien
Wil jij me dan blijven ZIEN?

Een prutsgedicht heb ik geschreven
van wandaden geen spijt betuigd
mijn zin te vaak stug doorgedreven
de teckel meermaals afgetuigd.
Wat ik allemaal beweerde
raakte soms echt kant noch wal
en wat ik roekeloos begeerde
geen probleem hoor, want ik stal… (maar jouw bol heb ik geaaid en ook nog klaprozen gezaaid!)
Meer kan ik er niet van maken
en weet het best, je vindt me laf
ook bij de buurtquiz ging ik slapen
en van mijn booster… zag ik af

Maar op het moment dat het zover is
want ooit gaat het natuurlijk mis
en fluister ik met zwakke stem:
Wil je me nu heel misschien
toch gewoon wel blijven ZIEN…..zoals ‘k nu eenmaal ben.

De gedichten ‘De handreiking van de poëzie, een gedachtegang’ en ‘Wil je me blijven zien’ zijn gemaakt en gepresenteerd tijdens de 12e Geert Grote dag. Deze dag was op zondag 16 oktober in het Geert Grote huis in Deventer en had het thema ‘Ziekte en solidariteit’.

Het prozagedicht ‘De handreiking van de poëzie, een gedachtegang’ werpt een licht op het onstuimige maakproces van de poëzie en de parallel die er wellicht is te trekken met het ongebreidelde groeien van een virus én de talloze opvattingen over hoe je er het beste mee om kan gaan. Want: hoe krijgen we al die vaste feiten, wilde gedachten, dromen en drogbeelden tot een praktisch plan van aanpak? De poëzie draagt een idee aan!

Het gedicht ‘Wil je me blijven zien’ kunt u lezen als lichtvoetig toetje na gedane arbeid.


De handreiking van de poëzie, een gedachtegang


Als ik zelf begin of anderen wil laten beginnen met zoiets moois en wonderlijks als poëzie, dan breng ik de start terug tot een kern, één woord.

ROOD of GROOT of DOOD of BLOOT. Begin maar met één van die woorden zeg ik dan tegen mezelf of tegen degenen die met me aan tafel zitten.

Daarna vangt het aan, het grote uitwaaieren vanuit het woord. Het zwermen, zoeken, zwemmen, zweven tot in de meest bizarre uithoeken. Het associëren richting bossen en meren, open zee of verborgen achterland, dromen, drogbeelden, doemdenksels waarvan je niet wist dat je ze in je had. Je hebt ze wel.

De pennen krassen, de koffie wordt koud, het regent maar je merkt het niet, het gaat maar door. Het een volgt uit het ander. Tot je ineens denkt: er is voor anderen dan ikzelf geen touw maar aan vast te knopen. Dat denkt iedereen ongeveer op hetzelfde moment.

Als je al die hoofden boven die krassende pennen in beeld zou kunnen brengen dan zou je een GROOT, BLOOT, ROOD netwerk zien, zichzelf voortstuwend, vermeerderend, variërend, mutilerend.

Het zou lijken op het groeien van een virus, het zou lijken op het in bezit nemen van een lichaam, het zich verspreiden van het virus door alle provincies van het land, inclusief de Marker Wadden. Het zou ook lijken op wat iedereen in dat land over het virus denkt en over de wijze hoe het verspreiden een halt te toe roepen. Het zou lijken op het leven zelf. Onverwacht. Ongebreideld hard en in vele mogelijke varianten alle kanten op groeiend, waar het maar kan…en ook waar het beter is van niet.

STOP

Want hoe krijgen we alle woorden in een richting, alle dromen tot daad, de duizendvoudige gedachten in een plan waar we met mee vóórt kunnen in alle chaos en verwarring. Al schrijvend zeg ik tegen mezelf en de anderen als ze dan tenminste nog steeds samen met mij en de poëzie aan tafel zitten: breng de meest vechtende woorden samen, laat ze samen de strijd aangaan in de taal, zich bij elkaar voegen, een zin vormen. Verdoezel de boze geesten en gedrochten niet, geef angst een gezicht, laat woede eerst maar schreeuwen, geef verbeeldingskrachten en waangedachten een speelveld, vermoeden een stem. Breng ze samen.

Laat ze binnen. Liefst in één alinea, dicht opeengepakt, zodat ze elkaars scherpe kanten bij elke beweging voelen en er iets op moeten verzinnen.

Dan mogen de vragen. Kietel ze van alle kanten. Lok ze. Bereid ratio vast voor op het podium, rust haar uit met een luisterend oor. Een vormbeginsel. Geef haar het woord als al het andere is leeggeroepen, stomgefluisterd, uitgevraagd en uitgehoord.
Vooruit zeg je: nu of nooit, neem het woord.

Wat je van de poëzie, m.a.w van het leven -inclusief ziekte, problemen, politiek- moet weten, is dat alles wat je onder het kleedje veegt terugkomt op je bord, dat je dat wat stinkt, uiteindelijk toch moet eten. Dus vooruit. Eet het.

Weet dat je niets kunt ontlopen, dat straathonden het sterkste zijn maar toch een baas willen.

Pak ze bij de kladden. Voer ze naar huis.

Ik kan alleen maar hopen dat de rest van het land hier iets aan heeft. Inclusief de virologen. En de Marker Wadden.

De gedichten ‘De handreiking van de poëzie, een gedachtegang’ en ‘Wil je me blijven zien’ zijn gemaakt en gepresenteerd tijdens de 12e Geert Grote dag. Deze dag was op zondag 16 oktober in het Geert Grote huis in Deventer en had het thema ‘Ziekte en solidariteit’.

Het prozagedicht ‘De handreiking van de poëzie, een gedachtegang’ werpt een licht op het onstuimige maakproces van de poëzie en de parallel die er wellicht is te trekken met het ongebreidelde groeien van een virus én de talloze opvattingen over hoe je er het beste mee om kan gaan. Want: hoe krijgen we al die vaste feiten, wilde gedachten, dromen en drogbeelden tot een praktisch plan van aanpak? De poëzie draagt een idee aan!

Het gedicht ‘Wil je me blijven zien’ kunt u lezen als lichtvoetig toetje na gedane arbeid.


In dit huis

is elke kamer een ander land
elk bed een kloppend hart in een ander verhaal
een andere vlucht, een andere taal
Misschien herkennen deze mannen elkaar
in boze dromen onder blauwe dekens
gemaakt van zee
het openzetten van een raam
het willen horen van buitengeluid
het verzamelen van potten en pannen onder hun bed
Ze nemen elkaar zonder uitleg mee
in verborgen pijn
van hetzelfde soort liedjes, hetzelfde refrein.

Hoe het kan
in deze kamer
zoveel moed, zoveel man

Alles is hier op doorreis
ontvankelijk, behoedzaam, stil
de geur van appel, smaak van munt
het zachtjes roeren in een glas
het pellen van banaan
maar tussen alles door gloeit er
de rechtopstaande wil
om ergens ooit aan land te gaan.

Alied van der Meer: “Dit gedicht gaat over een bezoek aan een bewoner van het AZC in Schalkhaar. Ik was hem eerder deze zomer tegengekomen in de stad waar hij me spontaan aansprak en blijk gaf van de vaste wil om de Nederlandse taal machtig te worden en werk te vinden. Bij mijn bezoek aan het AZC was ik onder de indruk van de gastvrijheid die deze man bood binnen de beperkte mogelijkheden en de muren van zijn eigen -met 2 andere mannen gedeelde- kamer. Deze gastvrijheid, samen met de enorme veerkracht van mensen die huis en haard hebben moeten ontvluchten, zijn 2 inspirerende waarden die ik met dit gedicht voelbaar wil maken. Het past ook bij mijn stadsdichterschap waarin ik gebeurtenissen, groepen en mensen die niet de krant halen, maar die dapper en onopvallend doorleven, in het licht wil zetten. In hen schuilen vaak de mooiste verhalen. En gedichten.”

Het gedicht werd zaterdag 24 september 2022 uitgedeeld aan de bezoekers van de Open dag op AZC Schalkhaar.


Op hol

In het begin sla je een beetje op hol

Overal is een gedicht:

De man die zomaar op je schouder tikt tijdens de wandeling omdat hij even wil praten,

een gedicht.

De imker met een bijenkorf op het stadshuis die je toevallig tegenkomt in de plaatselijke boekhandel,

een gedicht.

De naam Nesar, -betekent ‘zon’- die met schelpen in het zand onder de brug is gelegd,

een gedicht.

Het plantje met de naam Klein liefdesgras bij de Raambrug midden in de regen, nog een foto van genomen, ik denk onderbelicht,

maar toch, een gedicht.

Een jongen die zijn vriendje zachtjes toevertrouwt dat hij fan is van Vitesse en waarom,

een gedicht.

Ergens achter de ruitenwisser, een zwierig uitgeschreven bon,

een kunstenaar die in een gebouw zit waar ze laatjes vol met hulshuidjes van wandelende takken bewaart, naast een bakker in dat zelfde gebouw die glutenvrij bakt, naast een kapper die naast haren ook baljurkpatronen knipt, naast een uitgewoonde bus onder een lekkend dak met planten in de scheuren van het beton, in datzelfde gebouw dat uiteindelijk, zo wordt ons verzekerd van alles gaat worden, maar eigenlijk juist nu al is, er schijnt dwars door de regen, zon,

een fiets stomweg vergeten na kroegbezoek volledig overwoekerd met slingerplant,

mogelijk allemaal

van dichterlijk gewicht.

Maar nu is het avond en daarna nacht dus val ik om en zwicht.

Het komt ooit vast en zeker wel

nu staat alles in de wacht

maar wegens op hol en voor de lol

prop ik ze voor middernacht vast snel

samen in één gedicht.

Alied van der Meer: “Gedicht over een voor stadsdichters geloof ik zeer bekend verschijnsel: dat je overal en in alles een gedicht ziet. Dat je niet rustig door de stad kan fietsen of lopen zonder weer drieëndertig onderwerpen tegen te komen. Misschien wordt dat mettertijd iets minder? Of zou het juist steeds meer worden? Het komt hoe dan ook je nachtrust niet ten goede maar is wel een overduidelijk bewijs dat de poëzie overal is waar je je blik scherpstelt.”


September, soms

Zo stil is alleen september soms
zo roerloos oud
en goedgemutst

Niemand heeft plannen
of steekt de straat over
als dat niet hoeft

Achtertuinen zacht, slordig, per ongeluk
slechts kleine bedoelingen, bramen
talloze open ramen
iemand in een kamer zingt prachtig vals
bosje sleutels aan buitendeur, achteloos
kat likt water van groot, groen blad
spinnen, wespen, vergeten dameslectuur

Niemand heeft iets in de gaten
iedereen blijft

Er is oogst
Er is stilte
Er is september

Er is een witte vogel in een blauwe lucht.

Alied van der Meer: “Gedicht dat ik in een eerdere septembermaand schreef in een Deventer binnentuin, maar toch nog steeds geldt als zich weer zo’n nazomerse, stille, ‘oude’ dag aandient!”


1e gedicht van Alied van der Meer

Hoera ik ben stadsdichter. Een mooie klus voor de komende 2 jaar!

Voor het 1e gedicht op de avond van de overdracht, heb ik aan het publiek gevraagd of ze me woorden wilden toeroepen die ze mooi, grappig, vreemd of fascinerend vonden. Woorden die we misschien niet zo vaak gebruiken of in de vergetelheid zijn geraakt. Ze dragen bij aan de biodiversiteit van de taal. En die schijnt – is wetenschappelijk vastgesteld – samen te hangen met de biodiversiteit in de natuur. Het leek me in deze hete, droge zomer dus dubbel en dwars een goed idee om die met z’n allen naar boven te hengelen en een nieuw leven te geven. De woorden kwamen met gemak tevoorschijn uit het publiek en dat was al een hoopgevend genot. Laten we veelsoortigheid en de vreemdsoortigheid koesteren. In de taal en in de natuur!

Zo waren we bezig op een avond in september
een eerste begin
We waren bereid
tot levende woorden
bewogen van een leeg veld
naar di-ver-si-teit
we zaaiden het in
in een poging tot zin.

Er gloeide een Decanteren op
En Flierefluiten sloot zich aan
Tergend kwam voorbij samen met Amper, Klikspaan en Zwerk
Het grote Labbekakken ontsproot
Ja, nu kwam het echte werk
Leviteren vroeg een podium
Gramschap stond op uit de dood
Een onvervalste Kwispedoor spatte uiteen in ons gezicht
Hemelsbreed en Evenwicht voegden zich naadloos in het geheel
Het ging goed en steeds beter, het was al bijna een braaf gedicht.

Die avond in september
we gingen ons te buiten, we raakten op drift
en bogen de stroom naar waar die moest gaan
richting drogende IJssel, verliezende linde, en dappere Plataan.


Slotgedicht

Nog een laatste gedicht, en dan mogen jullie gaan genieten van de fonkelende pennenvruchten van Alied van der Meer. Ik wil hier nog even bedanken voor van alles en nog wat: Gemeente Deventer – en dan vooral Annejos Termaat en Carlo Verhaar; MIMIK – en dan vooral Sanne Meenink, Joep van de Pavoordt en Rob van den Hove; BRUT – en dan vooral Dennis Platvoet; Johanneke ter Stege – en dan vooral Johanneke ter Stege. En de vele, vele lieve, bijzondere Deventenaren.

MIJN HOOFD, MIJN WERELD 

Deventer, ik ben er niet geboren
Ik zag het levenslicht in een gehucht
Waar het me nooit gelukt is thuis te horen
En ik, om niet volledig te ontsporen
Uit zelfbehoud mijn hoofd ben in gevlucht

Ik was die in zichzelf gekeerde jongen
Wat in mij leefde, leefde daar niet echt
Ik las en schreef en raakte noodgedwongen
Steeds meer van mijn omgeving losgezongen
Geïsoleerd – toen kwam ik hier terecht

Een stad waar ik mee lezen kon en schrijven
Ik niet als zonderling werd aangegaapt
Verdwijnen moest om overeind te blijven
Integendeel, ik kwam hier bovendrijven
Ik ben hier aangespoeld en opgeraapt

Trof onvoorzien, als uit de dood herrezen
Een stad die mij omarmde en verstond
Ik werd gezien, ik werd hier zelfs gelezen
En langzaam van mijn eenzaamheid genezen
Mijn binnenwereld vond hier vaste grond

Deventer, ik ben er thuisgekomen
Waar ik eens in mezelf gevangen zat
Zijn hier de barrières weggenomen
Hier konden hoofd en wereld samenstromen:
Mijn hoofdstad, Deventer, mijn wereldstad


Wat zo veelbelovend begon

Mijn bundel is er! Gisteravond tijdens mijn afzwaaivoorstelling in MIMIK gepresenteerd. Het eerste exemplaar was voor Kees Torn, die het voorwoord van de bundel schreef, en als bonus de avond afsloot met één van mijn teksten op zijn muziek. De bundel is buitengewoon smaakvol vormgegeven door heldin Yolanda Huntelaar. Ik ben heel blij met het resultaat. Nu gesigneerd en wel verkrijgbaar via https://uitgeverijzoetzuur.nl/veelbelovend/


Stadsdichterschap

Ik wandel, mijn pas is ontspannen
Mijn denkwereld veilig omheind
Geen onrust en geen wilde plannen
Tot plots mij de muze verschijnt 

Mystieke processen beginnen
Een loopje te nemen met mij
Want alles van buiten komt binnen
En alles van binnen komt vrij

De wind brengt mijn geest aan het waaien
Straks barst een gedicht uit de knop
Ik voel het, de raderen draaien
Een storm aan ideeën steekt op 

Er dreigt zich iets bloot te gaan geven
Spontaan dienen zinnen zich aan
(Alsof het moet worden beschreven
Om echt pas te kunnen bestaan)

De vrijheid wil worden gevangen
De bomen souffleren een lied
Geliefden die woorden verlangen –
Helaas, maar nog eventjes niet

Eerst roepen lokalere plichten
Er is nog van alles wat moet
De buitenwacht schreeuwt om gedichten
De stad heeft nog verzen te goed

De kegelclub gaat jubileren
Daar moet iets mee worden gedaan
Ik moet nog vrijwilligers eren
De Boekenweek komt er weer aan

Dan zijn er weer wat onderscheiden
Of ergens wordt weer iets onthuld
Ik moet aan de Waag nog iets wijden
Ach muze, nog even geduld

Een buurtcafé opent zijn deuren
Een wethouder gaat met pensioen
Steeds staat er wel iets te gebeuren
Steeds is er wel weer iets te doen

Dus doop ik mijn pen in de honing
En rijm, enigszins onder dwang
Iets passends voor elke vertoning
Verzorg het poëtisch behang

O, leven, dood, liefde, nog even
Straks zal er weer worden geschreven


De kolk

Nog is het niet bezonken
Er is een jaar geleden
Een kind, een zoon verdronken
Nog is het niet bezonken
En niets heeft troost geschonken
Laat staan de pijn bestreden
Nog is het niet bezonken
Er is een jaar geleden

In herinnering aan de jongen die vandaag precies een jaar geleden in de Rielerkolk om het leven kwam.


Degene die we zoeken

Misschien ben jij degene die we zoeken!
Kun jij – melancholiek of vederlicht –
Ons prikkelen met scherpe invalshoeken?
Dit is een open oproep aan wie dicht

Aan wie zijn hoofd, om soms tot rust te komen
Door vele vellen vol te pennen leegt
Zijn woorden oeverloos kan laten stromen
Maar ook aan wie ze op een goudschaal weegt

Aan wie moet zitten broeden op ideeën
Of juist geheel op intuïtie schrijft
Aan wie zich uit in jamben en trocheeën
Aan wie de vrije poëzie bedrijft

Aan wie geen oren heeft naar deze functie
Of tot op heden steeds werd afgetroefd
Aan wie afkerig is van interpunctie
Of regels af-
breekt waar dat echt
                          niet hoeft

Hoeft men bij jou voor beeldspraak niet te vrezen?
Is alles zo eenduidig als maar kan?
Of moet je jouw gedichten vaker lezen
En snap je er dan nog geen donder van?

Het mag toegankelijk, het mag hermetisch
Het mag een traan ontlokken of een lach
Of wat dan ook, het hoeft niet eens poëtisch
Er zijn geen regels voor, dus alles mag

Ben jij een rapper? Laat maar van je horen
Een veel gelikete Instagrampoëet?
Of spoken word artiest? Kom maar naar voren
Jazeker, poëzie is nogal breed

Het mag in archaïsmen of in spreektaal
Met goede moed of frisse tegenzin
Het mag in ABN, het mag in streektaal
Kortom, als jij kunt schrijven, schrijf je in!

https://www.deventer.nl/nieuwsberichten/deventer-nieuws/2022/4/28/gezocht-deventer-dichter?fbclid=IwAR2H2yCI-2hhISBGg1162hMnl2Sv_pVu8-msllI-mXfggf7Yn77aX1gmFbs


In het kwadraat

Atleten trainen jaren om te pieken
En geven zich volledig voor hun vak
Maar aan de finish wacht ook een beloning:
Een bronzen, zilveren of gouden plak

Bankiers genieten een riant salaris
Naast bonussen die worden neergeteld
De vloggers krijgen volgers, likes en aandacht
En grote sommen adverteerdersgeld

Artiesten krijgen, of ze nou acteren
Uit alle macht een dichter staan te zijn
Standuppen, dansen, jodelen – die krijgen
Applaus en bossen bloemen, flessen wijn

Het doctoraat is voor de promovendus
Maar wie vooral iets voor een ander doet
Waar geen direct gewin aan is verbonden
Wie niets van zelfverrijking hebben moet

Zich onbaatzuchtig voor een ander inzet
Omdat-ie doodgewoon niet anders kan
Zo iemand geven wij een onderscheiding
Die krijgt een lintje, maar wat is dat dan?

Een lintje, dat is eigenlijk een bonus
Een lintje is een eredoctoraat
Is heel veel likes, is alle gouden plakken
Een daverend applaus in het kwadraat

Geschreven voor de lintjesregen 2022.


Steeds meer, steeds minder

Als je vijf jaar bent, is vijf jaar een eeuwigheid
Vijf jaar is levenslang, is alles, het geheel
Van dat moment af wordt het minder mettertijd:
Het is zodra je tien bent nog maar half zoveel
En als je vijftig bent nog maar een tiende deel

Je eerste sneeuw is alle sneeuw van je bestaan
Je kijkt je ogen uit, begrijpt niet hoe het kan
Dient het verschijnsel zich het jaar erop weer aan
Ben je al minder van dit wonder in de ban
Al spoedig word je er niet warm of koud meer van

Je eerste zoen is elke zoen tot dat moment
Al bij de tweede is die eerste gehalveerd
Dit blijft vervolgens onherroepelijk de trend
Met elke kus wordt die nog meer gedecimeerd
En langzaam tot inwisselbaar gereduceerd

Mijn eerste liefde was de enige voor mij
En feit is dat ik nooit meer zo van iemand hou
Want met de tweede kwam er al weer eentje bij
Er is geen houden aan, zo zal mijn laatste vrouw
Uiteindelijk nog maar een fractie zijn van jou

Want gaandeweg neemt alles toe en daarmee af
In een steeds kleiner deel van de geschiedenis
Voor mij is alles wat nog komt dan ook geen straf
Omdat hoe meer het wordt, hoe minder alles is
Misschien vergeet ik op een dag dat ik je mis

Ter gelegenheid van de opening van de Boekenweek 2022, die als thema ‘Eerste Liefde’ heeft.


Wedloop

Ach oorlog – zet er vrede tegenover:
Een missie die misschien nooit raakt volbracht
Maar waar we toe in staat gebleken zijn
Met bijna bovenmenselijke kracht

De bloemen staan zich lieflijk te verdringen
En vechten om een restje zonneschijn
In hoe een kat zich aan zijn prooi tegoed doet
Is zichtbaar wat ook wij ten diepste zijn

Wie kijkt naar de beschaving, naar de wereld
De mens en zijn ontstaansgeschiedenis 
Ziet dat die hele choreografie
In wezen toch een wapenwedloop is

Een zaak van eten of gegeten worden
Zo ging het en zo zal het blijven gaan
Dit is een wereld waarin zelfs geliefden
Elkaar nog naar het leven kunnen staan

Als je bedenkt dat dit het fundament is
We nooit van deze blauwdruk zijn bevrijd
Is vrede – toch nog driekwart eeuw bewaard –
Dan niet een indrukwekkend wapenfeit?


Wens

Ze had gevraagd of mij het wat zou lijken
om samen, zij en ik, bij maneschijn,
die avond naar de sterren te gaan kijken
(er zou een meteorenregen zijn).

We waren op een veldje neergestreken
en keken uren naar het firmament.
Zij heeft die nacht geen tel naar mij gekeken,
haar blik niet van de hemel afgewend.

Ze wees: ‘ja dáár, daar zag ik er weer één!’
toen ik het maar eens waagde op een zoen –
het resultaat was uitermate pover.

Ik snapte toen ze opstond en verdween:
het was haar nooit om romantiek te doen.
De sterrenregen liet te wensen over.

Geschreven ter ere van de Poëzieweek 2022.


Oud noch nieuw

Het oude normaal is utopisch gebleken
Voorbij als het jaar dat je achter je liet
Het nieuwe normaal blijft ook schromelijk steken;
Dit jaar mag dan nieuw zijn, normaal wordt het niet


Tussen de boeken

Geregeld doen mensen vrijwilligerswerk
Om niet dag aan dag thuis te zitten
Om toch af en toe ergens samen te klitten;
De groepsgeest beïnvloedt ons sterk

Zo vullen ze dan onbezoldigd hun week
Behaaglijk met mensen omgeven
Soms is wat ze doen ze dan zelfs om het even –
Nou, niet bij de bibliotheek

Hier zijn ze niet werkzaam ‘ter opvulling van’
Ze hebben hier echt iets te zoeken
Niet onder de mensen, maar tussen de boeken
En dienen een nobeler plan

Je ziet op de werkvloer meteen een verschil
Als liefde de drijvende kracht wordt
Dan doen mensen meer dan wat van ze verwacht wordt
In vrijheid en uit vrije wil

Dan denken ze mee en dan wordt er gebroed
Op duizenden bruisende plannen
Ze plegen zich honderd procent in te spannen
Opdat hier de geest wordt gevoed

Als ergens de taal om iets wezenlijks gaat
Kan weinig zo’n plek evenaren
Omdat er met lezen, met kennis vergaren
Pas ware verbinding ontstaat

Geschreven voor de ruim 300 vrijwilligers van de Bibliotheek Deventer, ter gelegenheid van Nationale Vrijwilligersdag.


Respect

Nog voor je achttiende een lintje, wat een zegen!
Wat een prestatie, man, ik vind het nogal wat
Dat is toch echt wel tof of vet of dik te noemen
Of lit of episch of hoe noemen jullie dat

Zoveel volwassenen die nooit zo’n hulde kregen
Al staan ze met hun hart en ziel en zaligheid
Voor dag en dauw, dag in, dag uit zich uit te sloven
Met alles wat ze in zich hebben toegewijd

Al wordt er heel wat afgezwoegd en kromgelegen –
Voordat het lintjescomité er iets in ziet
Is meer vereist, haast niemand heeft zo’n onderscheiding
‘In naam der koning’ (zelfs de koning zelve niet)

Al staan ze hele dagen konten af te vegen
Nog langer al dan jullie überhaupt bestaan
Dus is dat jullie dit ten deel valt domweg master
Of sick of gruwelijk, hoe duiden we dat aan

Wat nu nog na te jagen na zo’n lintjesregen?
Wat nog te dromen, kun je hoger dan de top?
Nou ja, misschien is de Nobelprijs voor de Vrede
Een leuk projectje? Ik zou zeggen: zet ‘m op

Geschreven ter gelegenheid van de uitreiking van de allereerste zogeheten jeugdlintjes, in voor de jeugdige gedecoreerden zo begrijpelijk mogelijke taal.


Een goede raad

Wat moet de provincie toch als zich weer eens een welhaast onoplosbaar probleem openbaart,
een heikele kwestie, een duivels dilemma, een punt van sociaaleconomische aard?
Dan kun je wel soebatten, jijbakken, twisten, maar dat had toch zelden effect tot dusver.
Je kunt je dan beter op kenners beroepen, en dan kom je uit bij de SER.

Als iets expertise vereist, het daarzonder niet gaat,
dan vraag je de SER om sociaaleconomische raad.

De SER Overijssel: een club die tien raadsleden, twee adviseurs en een voorzitter telt:
heer Webers, een uiterst bekwaam functionaris, wat uiteraard ook voor de anderen geldt.
Zij geven adviezen, doorwrocht en doortimmerd en deugdelijk, weloverwogen, precies,
dat is absoluut te waarderen, maar wie voorziet ooit nou de SER van advies?

Wie adviseert ú eens, al was het dan maar voor de gein –
Daar was ik al bang voor, laat ik dan zo vriendelijk zijn.

Al zijn het hoofdzakelijk zaken waaraan ik toch eigenlijk liever mijn vingers niet schroei,
ik ben al begonnen; ik las uw drie oogmerken, één daarvan is economische groei,
u zorgt dat door alle – of door zoveel mogelijk – mensen sociaal wordt geparticipeerd
en dat hier de inkomens eerlijk verdeeld worden, nou, dat klinkt niet zo verkeerd.

Een lijstje dat, als je de punten zo leest, veel belooft,
maar ergens ook niet, want één ding ziet u over het hoofd.

Het streven is steeds economische groei en dat maakt me toch soms wel een klein beetje bang.
Het is niet geheel onbelangrijk natuurlijk, oké, maar toch ook niet het grootste belang?
Hoe harder we werken, hoe rijker we worden, maar daar houdt het ook wel zo’n beetje mee op;
hoe rijker we worden, hoe rijker we worden, steeds is er een hogere top.

De pakjesbezorger die zich haast een hartinfarct rent,
waarom toch, waarom moet toch alles altijd efficiënt?

De zorgmedewerkers zijn met hun patiënten weleens tot een praatje geneigd, maar geen tijd!
Kortom, wat ik wil, wat ik heel graag zou zien is een beetje meer ruimte
voor menselijkheid.
Dit moet het maar wezen, dit was mijn advies, net als u het ook af en toe
doet: ongevraagd.
Misschien dus dat bij economische voorspoed de werkdruk kan worden verlaagd.

Wellicht overweegt u hier echt eens mee bezig te gaan,
zou leuk zijn, maar – laatste raad – doe het vooral rustig aan.

Ter gelegenheid van het 40-jarig jubileum van de SER Overijssel.