Gedichten


De kolk

Nog is het niet bezonken
Er is een jaar geleden
Een kind, een zoon verdronken
Nog is het niet bezonken
En niets heeft troost geschonken
Laat staan de pijn bestreden
Nog is het niet bezonken
Er is een jaar geleden

In herinnering aan de jongen die vandaag precies een jaar geleden in de Rielerkolk om het leven kwam.


Degene die we zoeken

Misschien ben jij degene die we zoeken!
Kun jij – melancholiek of vederlicht –
Ons prikkelen met scherpe invalshoeken?
Dit is een open oproep aan wie dicht

Aan wie zijn hoofd, om soms tot rust te komen
Door vele vellen vol te pennen leegt
Zijn woorden oeverloos kan laten stromen
Maar ook aan wie ze op een goudschaal weegt

Aan wie moet zitten broeden op ideeën
Of juist geheel op intuïtie schrijft
Aan wie zich uit in jamben en trocheeën
Aan wie de vrije poëzie bedrijft

Aan wie geen oren heeft naar deze functie
Of tot op heden steeds werd afgetroefd
Aan wie afkerig is van interpunctie
Of regels af-
breekt waar dat echt
                          niet hoeft

Hoeft men bij jou voor beeldspraak niet te vrezen?
Is alles zo eenduidig als maar kan?
Of moet je jouw gedichten vaker lezen
En snap je er dan nog geen donder van?

Het mag toegankelijk, het mag hermetisch
Het mag een traan ontlokken of een lach
Of wat dan ook, het hoeft niet eens poëtisch
Er zijn geen regels voor, dus alles mag

Ben jij een rapper? Laat maar van je horen
Een veel gelikete Instagrampoëet?
Of spoken word artiest? Kom maar naar voren
Jazeker, poëzie is nogal breed

Het mag in archaïsmen of in spreektaal
Met goede moed of frisse tegenzin
Het mag in ABN, het mag in streektaal
Kortom, als jij kunt schrijven, schrijf je in!

https://www.deventer.nl/nieuwsberichten/deventer-nieuws/2022/4/28/gezocht-deventer-dichter?fbclid=IwAR2H2yCI-2hhISBGg1162hMnl2Sv_pVu8-msllI-mXfggf7Yn77aX1gmFbs


In het kwadraat

Atleten trainen jaren om te pieken
En geven zich volledig voor hun vak
Maar aan de finish wacht ook een beloning:
Een bronzen, zilveren of gouden plak

Bankiers genieten een riant salaris
Naast bonussen die worden neergeteld
De vloggers krijgen volgers, likes en aandacht
En grote sommen adverteerdersgeld

Artiesten krijgen, of ze nou acteren
Uit alle macht een dichter staan te zijn
Standuppen, dansen, jodelen – die krijgen
Applaus en bossen bloemen, flessen wijn

Het doctoraat is voor de promovendus
Maar wie vooral iets voor een ander doet
Waar geen direct gewin aan is verbonden
Wie niets van zelfverrijking hebben moet

Zich onbaatzuchtig voor een ander inzet
Omdat-ie doodgewoon niet anders kan
Zo iemand geven wij een onderscheiding
Die krijgt een lintje, maar wat is dat dan?

Een lintje, dat is eigenlijk een bonus
Een lintje is een eredoctoraat
Is heel veel likes, is alle gouden plakken
Een daverend applaus in het kwadraat

Geschreven voor de lintjesregen 2022.


Steeds meer, steeds minder

Als je vijf jaar bent, is vijf jaar een eeuwigheid
Vijf jaar is levenslang, is alles, het geheel
Van dat moment af wordt het minder mettertijd:
Het is zodra je tien bent nog maar half zoveel
En als je vijftig bent nog maar een tiende deel

Je eerste sneeuw is alle sneeuw van je bestaan
Je kijkt je ogen uit, begrijpt niet hoe het kan
Dient het verschijnsel zich het jaar erop weer aan
Ben je al minder van dit wonder in de ban
Al spoedig word je er niet warm of koud meer van

Je eerste zoen is elke zoen tot dat moment
Al bij de tweede is die eerste gehalveerd
Dit blijft vervolgens onherroepelijk de trend
Met elke kus wordt die nog meer gedecimeerd
En langzaam tot inwisselbaar gereduceerd

Mijn eerste liefde was de enige voor mij
En feit is dat ik nooit meer zo van iemand hou
Want met de tweede kwam er al weer eentje bij
Er is geen houden aan, zo zal mijn laatste vrouw
Uiteindelijk nog maar een fractie zijn van jou

Want gaandeweg neemt alles toe en daarmee af
In een steeds kleiner deel van de geschiedenis
Voor mij is alles wat nog komt dan ook geen straf
Omdat hoe meer het wordt, hoe minder alles is
Misschien vergeet ik op een dag dat ik je mis

Ter gelegenheid van de opening van de Boekenweek 2022, die als thema ‘Eerste Liefde’ heeft.


Wedloop

Ach oorlog – zet er vrede tegenover:
Een missie die misschien nooit raakt volbracht
Maar waar we toe in staat gebleken zijn
Met bijna bovenmenselijke kracht

De bloemen staan zich lieflijk te verdringen
En vechten om een restje zonneschijn
In hoe een kat zich aan zijn prooi tegoed doet
Is zichtbaar wat ook wij ten diepste zijn

Wie kijkt naar de beschaving, naar de wereld
De mens en zijn ontstaansgeschiedenis 
Ziet dat die hele choreografie
In wezen toch een wapenwedloop is

Een zaak van eten of gegeten worden
Zo ging het en zo zal het blijven gaan
Dit is een wereld waarin zelfs geliefden
Elkaar nog naar het leven kunnen staan

Als je bedenkt dat dit het fundament is
We nooit van deze blauwdruk zijn bevrijd
Is vrede – toch nog driekwart eeuw bewaard –
Dan niet een indrukwekkend wapenfeit?


Wens

Ze had gevraagd of mij het wat zou lijken
om samen, zij en ik, bij maneschijn,
die avond naar de sterren te gaan kijken
(er zou een meteorenregen zijn).

We waren op een veldje neergestreken
en keken uren naar het firmament.
Zij heeft die nacht geen tel naar mij gekeken,
haar blik niet van de hemel afgewend.

Ze wees: ‘ja dáár, daar zag ik er weer één!’
toen ik het maar eens waagde op een zoen –
het resultaat was uitermate pover.

Ik snapte toen ze opstond en verdween:
het was haar nooit om romantiek te doen.
De sterrenregen liet te wensen over.

Geschreven ter ere van de Poëzieweek 2022.


Oud noch nieuw

Het oude normaal is utopisch gebleken
Voorbij als het jaar dat je achter je liet
Het nieuwe normaal blijft ook schromelijk steken;
Dit jaar mag dan nieuw zijn, normaal wordt het niet


Tussen de boeken

Geregeld doen mensen vrijwilligerswerk
Om niet dag aan dag thuis te zitten
Om toch af en toe ergens samen te klitten;
De groepsgeest beïnvloedt ons sterk

Zo vullen ze dan onbezoldigd hun week
Behaaglijk met mensen omgeven
Soms is wat ze doen ze dan zelfs om het even –
Nou, niet bij de bibliotheek

Hier zijn ze niet werkzaam ‘ter opvulling van’
Ze hebben hier echt iets te zoeken
Niet onder de mensen, maar tussen de boeken
En dienen een nobeler plan

Je ziet op de werkvloer meteen een verschil
Als liefde de drijvende kracht wordt
Dan doen mensen meer dan wat van ze verwacht wordt
In vrijheid en uit vrije wil

Dan denken ze mee en dan wordt er gebroed
Op duizenden bruisende plannen
Ze plegen zich honderd procent in te spannen
Opdat hier de geest wordt gevoed

Als ergens de taal om iets wezenlijks gaat
Kan weinig zo’n plek evenaren
Omdat er met lezen, met kennis vergaren
Pas ware verbinding ontstaat

Geschreven voor de ruim 300 vrijwilligers van de Bibliotheek Deventer, ter gelegenheid van Nationale Vrijwilligersdag.


Respect

Nog voor je achttiende een lintje, wat een zegen!
Wat een prestatie, man, ik vind het nogal wat
Dat is toch echt wel tof of vet of dik te noemen
Of lit of episch of hoe noemen jullie dat

Zoveel volwassenen die nooit zo’n hulde kregen
Al staan ze met hun hart en ziel en zaligheid
Voor dag en dauw, dag in, dag uit zich uit te sloven
Met alles wat ze in zich hebben toegewijd

Al wordt er heel wat afgezwoegd en kromgelegen –
Voordat het lintjescomité er iets in ziet
Is meer vereist, haast niemand heeft zo’n onderscheiding
‘In naam der koning’ (zelfs de koning zelve niet)

Al staan ze hele dagen konten af te vegen
Nog langer al dan jullie überhaupt bestaan
Dus is dat jullie dit ten deel valt domweg master
Of sick of gruwelijk, hoe duiden we dat aan

Wat nu nog na te jagen na zo’n lintjesregen?
Wat nog te dromen, kun je hoger dan de top?
Nou ja, misschien is de Nobelprijs voor de Vrede
Een leuk projectje? Ik zou zeggen: zet ‘m op

Geschreven ter gelegenheid van de uitreiking van de allereerste zogeheten jeugdlintjes, in voor de jeugdige gedecoreerden zo begrijpelijk mogelijke taal.


Een goede raad

Wat moet de provincie toch als zich weer eens een welhaast onoplosbaar probleem openbaart,
een heikele kwestie, een duivels dilemma, een punt van sociaaleconomische aard?
Dan kun je wel soebatten, jijbakken, twisten, maar dat had toch zelden effect tot dusver.
Je kunt je dan beter op kenners beroepen, en dan kom je uit bij de SER.

Als iets expertise vereist, het daarzonder niet gaat,
dan vraag je de SER om sociaaleconomische raad.

De SER Overijssel: een club die tien raadsleden, twee adviseurs en een voorzitter telt:
heer Webers, een uiterst bekwaam functionaris, wat uiteraard ook voor de anderen geldt.
Zij geven adviezen, doorwrocht en doortimmerd en deugdelijk, weloverwogen, precies,
dat is absoluut te waarderen, maar wie voorziet ooit nou de SER van advies?

Wie adviseert ú eens, al was het dan maar voor de gein –
Daar was ik al bang voor, laat ik dan zo vriendelijk zijn.

Al zijn het hoofdzakelijk zaken waaraan ik toch eigenlijk liever mijn vingers niet schroei,
ik ben al begonnen; ik las uw drie oogmerken, één daarvan is economische groei,
u zorgt dat door alle – of door zoveel mogelijk – mensen sociaal wordt geparticipeerd
en dat hier de inkomens eerlijk verdeeld worden, nou, dat klinkt niet zo verkeerd.

Een lijstje dat, als je de punten zo leest, veel belooft,
maar ergens ook niet, want één ding ziet u over het hoofd.

Het streven is steeds economische groei en dat maakt me toch soms wel een klein beetje bang.
Het is niet geheel onbelangrijk natuurlijk, oké, maar toch ook niet het grootste belang?
Hoe harder we werken, hoe rijker we worden, maar daar houdt het ook wel zo’n beetje mee op;
hoe rijker we worden, hoe rijker we worden, steeds is er een hogere top.

De pakjesbezorger die zich haast een hartinfarct rent,
waarom toch, waarom moet toch alles altijd efficiënt?

De zorgmedewerkers zijn met hun patiënten weleens tot een praatje geneigd, maar geen tijd!
Kortom, wat ik wil, wat ik heel graag zou zien is een beetje meer ruimte
voor menselijkheid.
Dit moet het maar wezen, dit was mijn advies, net als u het ook af en toe
doet: ongevraagd.
Misschien dus dat bij economische voorspoed de werkdruk kan worden verlaagd.

Wellicht overweegt u hier echt eens mee bezig te gaan,
zou leuk zijn, maar – laatste raad – doe het vooral rustig aan.

Ter gelegenheid van het 40-jarig jubileum van de SER Overijssel.


Gelijk

Er zijn eigenlijk twee soorten mensen:
de eerste weet dat er maar één soort bestaat,
de tweede soort meent dat er meer zijn
en daardoor heeft die laatste gelijk.

Elk geheel kun je onderverdelen.
Een mens is een lichaam met botten en bloed,
bacteriën, zenuwen, cellen,
terwijl hij zich als eenheid ervaart.

Zo is zelfs een atoom op te splitsen.
Wie inzoomt op iets, zoomt gelijkelijk uit;
een eenheid is altijd een veelheid.
Is dan ook elke veelheid niet één?

Vooralsnog zijn er twee soorten mensen.
Al drijven verschillen een wig tussen ons,
er worden ook bruggen geslagen,
tot zal blijken: wij waren gelijk,
hadden dat we verschilden gemeen.

Ter gelegenheid van de uitreiking van de Diversiteitsprijs 2021.


De poëzie ligt op straat

Geschreven voor het Deventer Woordwaarde Festival.


Van de grond

De moede aarde draait getrouw haar dagen.
Wij weten ons nog in haar schoot beschut,
maar zij zal ons geen eeuwigheid meer dragen;
we hebben haar volkomen uitgeput.

Hoe lang nog tolereert zij onze toeren?
Met roofbouw en met generaties lang
grootschalig biologisch oorlogvoeren
komt eens ons voortbestaan in het gedrang.

Dit lot lag al vervat in ons tuinieren;
zoveel werd reeds gerooid, gewied, gesnoeid.
Wat was er mis met welig laten tieren?
Waartoe ons tegen alles aan bemoeid?

We raken langzaam van de ernst doordrongen
nu de natuur, in al haar kwetsbaarheid,
waar zo nalatig mee is omgesprongen,
als zand door onze groene vingers glijdt.

Als straks het water stijgt tot onze lippen,
de dijken breken door de Grote Vloed
en elke ark hier stukslaat op de klippen,
de mens de wereld vlug ontvluchten moet,

bestormen wij de hemel als giganten,
om, als symbool van onze eigenbaat,
in onontgonnen grond een vlag te planten,
belichamend dat onkruid niet vergaat.

Voorgedragen tijdens de onthulling van het door kunstenaar Rob Sweere gemaakte en naar de naam WorpScape luisterende kunstwerk in het Worpplantsoen. (Foto: Ben van Raan.)


Etty

Ik zie je voor me: ijverig studerend
met nietsontziende ogen, klaar als glas,
de stof doorgrondend, alles absorberend,
het leven en de liefde explorerend;
het meisje dat je vóór de oorlog was.

Ik zie je voor me met een hoofd vol dromen,
een krachtige vitale levenslijn,
ik zie je van bezieling overstromen –
en jou het allerergste overkomen:
jouw liefde die niet wederzijds mocht zijn.

Ten onder ging wat net was opgerezen.
Wat jou – het te bevattene voorbij –
gebeuren zou, stond in geen hand te lezen,
maar hoe het ook ontspoorde, in jouw wezen,
vanbinnen brak je uit en kwam je vrij.

Ik zie je tegen duizend muren lopen,
ik zie je redderen in de barak,
maar met je ogen opener dan open.
Ik zie je kijken, zonder blind te hopen,
voorbij jezelf, voorbij het oppervlak.

Jouw binnenwereld zou een rijkdom blijken.
Misschien heb jij het mogelijk geacht
dat jouw ideeën en manier van kijken
nog ver voorbij die muren zouden reiken,
nog lang nadat jouw hart was uitgedacht?

De haat liep dood, jouw liefde zou beklijven.
Dit centrum is ervan vervuld geraakt,
gegrondvest op jouw denken en jouw schrijven.
Jij schreef eens: ‘je moet zelf het centrum blijven.’
Dat is hier, denk ik, meer dan waargemaakt.

Geschreven ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Etty Hillesum Centrum, voorgedragen bij de viering van dit jubileum in het EHC.


Uit eerbied

Besef jij wel hoe vrij je bent?
Dat jij je ongehinderd kunt bewegen,
je overal je mening, voor of tegen,
mag uiten zonder dat je wetten schendt?

Dat jij mag voelen wat je voelt,
bekritiseren wat je niet vindt deugen,
welk feit dan ook mag houden voor een leugen,
mag roepen tot je woede is bekoeld,

zo hard je wilt, naar hartenlust,
je altijd op mag komen voor je rechten,
en voor je overtuigingen mag vechten?
Ben jij je van die vrijheden bewust?

Dat jij mag vinden wat je vindt,
dat geen gedachtegoed hier is verboden,
jij boze demagogen mag vergoden,
dat juist die vrijheid is wat ons verbindt?

En ken je haar geschiedenis?
Weet jij hoe er gevochten is, gestorven,
dat zij met bloedvergieten is verworven,
toen pijnlijk blootlag hoe fragiel zij is?

Laat daarom ons en iedereen
een beetje vredelievendheid betrachten,
uit eerbied voor wie ons de vrijheid brachten
en voor de vrijheid in het algemeen.

Geschreven ter gelegenheid van Dodenherdenking 2021. Hieronder de opname (vanaf 10:25), gemaakt door Rocketboys.


Lofdicht

Wanneer een mens iets goeds verricht,
als iemand je een gunst verleent,
weegt, hoe hartgrondig ook gemeend,
een dankjewel al snel te licht.

Laat staan als er aanhoudend wordt
geruggensteund en klaargestaan,
dan moet je toch iets verder gaan,
schiet ieder woord van dank tekort.

Wanneer een mens uit empathie,
en niet alleen maar jou of mij,
maar de gehele maatschappij
bedient, volstaat geen doos Merci.

Elk lofdicht is hier ondermaats.
Om onze dank te laten zien
en laten vóélen, is misschien
een onderscheiding op zijn plaats.

Een eerbewijs van hogerhand,
in naam der koning, officieel,
een viering, ceremonieel,
benoeming in de Staatscourant.

Zo pogen wij, uit pure nood,
uit machteloze dankbaarheid,
met opperste intensiteit
te zeggen: onze dank is groot.

Geschreven voor de Deventenaren die een koninklijke onderscheiding mochten ontvangen. In het filmpje hieronder, gemaakt door MILLION MILES, draag ik het voor (vanaf 0:48).


Code geel

Op initiatief van Haye van den Geest en Kiki Vos hebben alle bewoners van de Worp zonnebloemzaadjes in hun brievenbussen ontvangen, zodat daar straks, als symbool van hoop, een knalgele bloemenzee te zien zal zijn. Bij het zakje met zaadjes is ook een flyer gevoegd met daarop een gedicht dat ik voor deze vrolijke actie heb mogen schrijven.


Vrouwen

Er is pardoes weer een lied aan mij ontsproten, excuus hiervoor! Ik zal het ruimschoots goedmaken, maar wilde het toch even met jullie delen. Ik zong het vanmorgen in de Boekencast, maar deze opname is vanuit huis, om een beetje in de coronasfeer te blijven. Het is ter gelegenheid van Internationale Vrouwendag.

Vrouwen

Ze veroveren de wereld, overheersen meer en meer
en hun opmars is zelfs nog maar net begonnen.
Ze zijn eeuwen onderworpen, maar ze stelden zich teweer,
kwamen, zagen, overwonnen.

Ze begeren, ambiëren, klimmen almaar hogerop
met hun mateloze carrièreplannen.
Zie ze grijpen, zie ze graaien, zie ze reiken naar de top;
vrouwen zijn de nieuwe mannen.

Wat zijn ze plotseling zelfstandig
en ineens verrekte handig,
met accuboor en duimstok in de weer.
De dames lopen ondertussen
als bezetenen te klussen
en hoeven onze hulp daarbij niet meer.

Ze veranderen volslagen in hun laten en hun doen,
laten boeren, drinken bier, zijn onbehouwen,
kijken voetbal, doen er zelf aan, worden wereldkampioen.
Vrouwen, vrouwen, vrouwen, vrouwen

‘werken over’ en hun smoesjes zijn al even vindingrijk,
eenmaal thuis zijn ze spontaan weer overspannen,
ze gaan dood aan griep en kunnen nog maar één ding tegelijk;
vrouwen zijn de nieuwe mannen.

Het feminisme vind ik prachtig –
tot de vroege jaren ‘80,
daarna ging alles hopeloos teloor,
want wij zijn door die laatste golven
danig onder ze bedolven.
Ze slaan stilaan een heel klein beetje door.

In de liefde zijn ze werkelijk pragmatisch tot en met,
romantiek is ver te zoeken, want ze meten
nog alleen jouw kwaliteiten in de keuken en in bed,
wat zij ons altijd verweten.

Dan je kroost dat vraagt, terwijl jij staat te vloeken op de vaat,
loopt te sloven met de potten en de pannen,
wie die vrouw toch is die zondag steeds het vlees te snijden staat;
vrouwen zijn de nieuwe mannen.

Leuk om te zien ook hoe ze leren
ons te objectificeren,
als vlees, als waren, worden wij gekeurd.
Er lopen heel wat meisjes buiten
nu de kerels na te fluiten,
wat omgekeerd allang niet meer gebeurt.

Ach, ze vochten voor gelijkheid – daarin hebben zij gefaald;
de balans is evengoed weer doorgeslagen.
Straks is er een mannenquotum (dat maar zelden wordt gehaald),
wij die hun om opslag vragen.

Je verzetten heeft geen zin meer, zie je thuis al helder in
als je weer eens naar je mancave bent verbannen,
en het punt bespreekbaar maken heeft al helemaal geen zin;
vrouwen zijn de nieuwe mannen.

Het zal ook niet zo lang meer duren
tot ze alles hier besturen.
Nou ja, ze doen ook maar, mij best, zolang
ze, naast wat ons al is ontnomen
niet aan onze humor komen.
Maar goed, daarvoor ben ik nog niet zo bang.


Valentijnsgedicht

Als Deventer een vrouw was, deed haar schoonheid mij bezwijken.
Op niemand zou ze lijken, zij was als een serafijn,
onaards, maar zij was niet alleen maar leuk om naar te kijken;
zij was nog liever dan ze mooi zou zijn.

Was Deventer een vrouw, zij was de lieflijkste van allen,
een vrouw uit duizendtallen, alle werelden ineen,
klassiek maar ook modern, ik was op slag voor haar gevallen.
Zij was het en ik kon er niet omheen.

Zij had het allemaal, zij was een dorpse én een stadse,
uitbundig, maar ook had ze een beschouwelijke kant,
en al die tegenstrijdige facetten, ik aanbad ze,
want mijn gevoel ging boven mijn verstand.

Als Deventer een vrouw was, zou ik altijd bij haar blijven.
Ik zou niet overdrijven als ik zei dat ik voor haar
mijn leven geven zou, voor haar zou zingen, verzen schrijven.
Gedichten, o, wel minstens acht per jaar.

Als Deventer een vrouw was, was ze meer dan ik kon vragen,
gezellig losgeslagen, maar de liefde eeuwig trouw.
Ook had ze, was ze – het begint me langzaamaan te dagen:
als Deventer een vrouw was, was ze jou.

(Nu ben ik toch wel blij dat jij een vrouw bent en geen stad,
want waar alsdan te wonen? Ik had geen idee gehad.)


Hoogwater

Het lijkt tot nog toe niet te willen ebben
De IJssel barst zo goed als uit zijn voegen
Het lijkt me slim – zo het al plaats zou hebben –
Om Deventer Op Stelten te vervroegen