Gedichten


1e gedicht van Alied van der Meer

Hoera ik ben stadsdichter. Een mooie klus voor de komende 2 jaar!

Voor het 1e gedicht op de avond van de overdracht, heb ik aan het publiek gevraagd of ze me woorden wilden toeroepen die ze mooi, grappig, vreemd of fascinerend vonden. Woorden die we misschien niet zo vaak gebruiken of in de vergetelheid zijn geraakt. Ze dragen bij aan de biodiversiteit van de taal. En die schijnt – is wetenschappelijk vastgesteld – samen te hangen met de biodiversiteit in de natuur. Het leek me in deze hete, droge zomer dus dubbel en dwars een goed idee om die met z’n allen naar boven te hengelen en een nieuw leven te geven. De woorden kwamen met gemak tevoorschijn uit het publiek en dat was al een hoopgevend genot. Laten we veelsoortigheid en de vreemdsoortigheid koesteren. In de taal en in de natuur!

Zo waren we bezig op een avond in september
een eerste begin
We waren bereid
tot levende woorden
bewogen van een leeg veld
naar di-ver-si-teit
we zaaiden het in
in een poging tot zin.

Er gloeide een Decanteren op
En Flierefluiten sloot zich aan
Tergend kwam voorbij samen met Amper, Klikspaan en Zwerk
Het grote Labbekakken ontsproot
Ja, nu kwam het echte werk
Leviteren vroeg een podium
Gramschap stond op uit de dood
Een onvervalste Kwispedoor spatte uiteen in ons gezicht
Hemelsbreed en Evenwicht voegden zich naadloos in het geheel
Het ging goed en steeds beter, het was al bijna een braaf gedicht.

Die avond in september
we gingen ons te buiten, we raakten op drift
en bogen de stroom naar waar die moest gaan
richting drogende IJssel, verliezende linde, en dappere Plataan.


Slotgedicht

Nog een laatste gedicht, en dan mogen jullie gaan genieten van de fonkelende pennenvruchten van Alied van der Meer. Ik wil hier nog even bedanken voor van alles en nog wat: Gemeente Deventer – en dan vooral Annejos Termaat en Carlo Verhaar; MIMIK – en dan vooral Sanne Meenink, Joep van de Pavoordt en Rob van den Hove; BRUT – en dan vooral Dennis Platvoet; Johanneke ter Stege – en dan vooral Johanneke ter Stege. En de vele, vele lieve, bijzondere Deventenaren.

MIJN HOOFD, MIJN WERELD 

Deventer, ik ben er niet geboren
Ik zag het levenslicht in een gehucht
Waar het me nooit gelukt is thuis te horen
En ik, om niet volledig te ontsporen
Uit zelfbehoud mijn hoofd ben in gevlucht

Ik was die in zichzelf gekeerde jongen
Wat in mij leefde, leefde daar niet echt
Ik las en schreef en raakte noodgedwongen
Steeds meer van mijn omgeving losgezongen
Geïsoleerd – toen kwam ik hier terecht

Een stad waar ik mee lezen kon en schrijven
Ik niet als zonderling werd aangegaapt
Verdwijnen moest om overeind te blijven
Integendeel, ik kwam hier bovendrijven
Ik ben hier aangespoeld en opgeraapt

Trof onvoorzien, als uit de dood herrezen
Een stad die mij omarmde en verstond
Ik werd gezien, ik werd hier zelfs gelezen
En langzaam van mijn eenzaamheid genezen
Mijn binnenwereld vond hier vaste grond

Deventer, ik ben er thuisgekomen
Waar ik eens in mezelf gevangen zat
Zijn hier de barrières weggenomen
Hier konden hoofd en wereld samenstromen:
Mijn hoofdstad, Deventer, mijn wereldstad


Wat zo veelbelovend begon

Mijn bundel is er! Gisteravond tijdens mijn afzwaaivoorstelling in MIMIK gepresenteerd. Het eerste exemplaar was voor Kees Torn, die het voorwoord van de bundel schreef, en als bonus de avond afsloot met één van mijn teksten op zijn muziek. De bundel is buitengewoon smaakvol vormgegeven door heldin Yolanda Huntelaar. Ik ben heel blij met het resultaat. Nu gesigneerd en wel verkrijgbaar via https://uitgeverijzoetzuur.nl/veelbelovend/


Stadsdichterschap

Ik wandel, mijn pas is ontspannen
Mijn denkwereld veilig omheind
Geen onrust en geen wilde plannen
Tot plots mij de muze verschijnt 

Mystieke processen beginnen
Een loopje te nemen met mij
Want alles van buiten komt binnen
En alles van binnen komt vrij

De wind brengt mijn geest aan het waaien
Straks barst een gedicht uit de knop
Ik voel het, de raderen draaien
Een storm aan ideeën steekt op 

Er dreigt zich iets bloot te gaan geven
Spontaan dienen zinnen zich aan
(Alsof het moet worden beschreven
Om echt pas te kunnen bestaan)

De vrijheid wil worden gevangen
De bomen souffleren een lied
Geliefden die woorden verlangen –
Helaas, maar nog eventjes niet

Eerst roepen lokalere plichten
Er is nog van alles wat moet
De buitenwacht schreeuwt om gedichten
De stad heeft nog verzen te goed

De kegelclub gaat jubileren
Daar moet iets mee worden gedaan
Ik moet nog vrijwilligers eren
De Boekenweek komt er weer aan

Dan zijn er weer wat onderscheiden
Of ergens wordt weer iets onthuld
Ik moet aan de Waag nog iets wijden
Ach muze, nog even geduld

Een buurtcafé opent zijn deuren
Een wethouder gaat met pensioen
Steeds staat er wel iets te gebeuren
Steeds is er wel weer iets te doen

Dus doop ik mijn pen in de honing
En rijm, enigszins onder dwang
Iets passends voor elke vertoning
Verzorg het poëtisch behang

O, leven, dood, liefde, nog even
Straks zal er weer worden geschreven


De kolk

Nog is het niet bezonken
Er is een jaar geleden
Een kind, een zoon verdronken
Nog is het niet bezonken
En niets heeft troost geschonken
Laat staan de pijn bestreden
Nog is het niet bezonken
Er is een jaar geleden

In herinnering aan de jongen die vandaag precies een jaar geleden in de Rielerkolk om het leven kwam.


Degene die we zoeken

Misschien ben jij degene die we zoeken!
Kun jij – melancholiek of vederlicht –
Ons prikkelen met scherpe invalshoeken?
Dit is een open oproep aan wie dicht

Aan wie zijn hoofd, om soms tot rust te komen
Door vele vellen vol te pennen leegt
Zijn woorden oeverloos kan laten stromen
Maar ook aan wie ze op een goudschaal weegt

Aan wie moet zitten broeden op ideeën
Of juist geheel op intuïtie schrijft
Aan wie zich uit in jamben en trocheeën
Aan wie de vrije poëzie bedrijft

Aan wie geen oren heeft naar deze functie
Of tot op heden steeds werd afgetroefd
Aan wie afkerig is van interpunctie
Of regels af-
breekt waar dat echt
                          niet hoeft

Hoeft men bij jou voor beeldspraak niet te vrezen?
Is alles zo eenduidig als maar kan?
Of moet je jouw gedichten vaker lezen
En snap je er dan nog geen donder van?

Het mag toegankelijk, het mag hermetisch
Het mag een traan ontlokken of een lach
Of wat dan ook, het hoeft niet eens poëtisch
Er zijn geen regels voor, dus alles mag

Ben jij een rapper? Laat maar van je horen
Een veel gelikete Instagrampoëet?
Of spoken word artiest? Kom maar naar voren
Jazeker, poëzie is nogal breed

Het mag in archaïsmen of in spreektaal
Met goede moed of frisse tegenzin
Het mag in ABN, het mag in streektaal
Kortom, als jij kunt schrijven, schrijf je in!

https://www.deventer.nl/nieuwsberichten/deventer-nieuws/2022/4/28/gezocht-deventer-dichter?fbclid=IwAR2H2yCI-2hhISBGg1162hMnl2Sv_pVu8-msllI-mXfggf7Yn77aX1gmFbs


In het kwadraat

Atleten trainen jaren om te pieken
En geven zich volledig voor hun vak
Maar aan de finish wacht ook een beloning:
Een bronzen, zilveren of gouden plak

Bankiers genieten een riant salaris
Naast bonussen die worden neergeteld
De vloggers krijgen volgers, likes en aandacht
En grote sommen adverteerdersgeld

Artiesten krijgen, of ze nou acteren
Uit alle macht een dichter staan te zijn
Standuppen, dansen, jodelen – die krijgen
Applaus en bossen bloemen, flessen wijn

Het doctoraat is voor de promovendus
Maar wie vooral iets voor een ander doet
Waar geen direct gewin aan is verbonden
Wie niets van zelfverrijking hebben moet

Zich onbaatzuchtig voor een ander inzet
Omdat-ie doodgewoon niet anders kan
Zo iemand geven wij een onderscheiding
Die krijgt een lintje, maar wat is dat dan?

Een lintje, dat is eigenlijk een bonus
Een lintje is een eredoctoraat
Is heel veel likes, is alle gouden plakken
Een daverend applaus in het kwadraat

Geschreven voor de lintjesregen 2022.


Steeds meer, steeds minder

Als je vijf jaar bent, is vijf jaar een eeuwigheid
Vijf jaar is levenslang, is alles, het geheel
Van dat moment af wordt het minder mettertijd:
Het is zodra je tien bent nog maar half zoveel
En als je vijftig bent nog maar een tiende deel

Je eerste sneeuw is alle sneeuw van je bestaan
Je kijkt je ogen uit, begrijpt niet hoe het kan
Dient het verschijnsel zich het jaar erop weer aan
Ben je al minder van dit wonder in de ban
Al spoedig word je er niet warm of koud meer van

Je eerste zoen is elke zoen tot dat moment
Al bij de tweede is die eerste gehalveerd
Dit blijft vervolgens onherroepelijk de trend
Met elke kus wordt die nog meer gedecimeerd
En langzaam tot inwisselbaar gereduceerd

Mijn eerste liefde was de enige voor mij
En feit is dat ik nooit meer zo van iemand hou
Want met de tweede kwam er al weer eentje bij
Er is geen houden aan, zo zal mijn laatste vrouw
Uiteindelijk nog maar een fractie zijn van jou

Want gaandeweg neemt alles toe en daarmee af
In een steeds kleiner deel van de geschiedenis
Voor mij is alles wat nog komt dan ook geen straf
Omdat hoe meer het wordt, hoe minder alles is
Misschien vergeet ik op een dag dat ik je mis

Ter gelegenheid van de opening van de Boekenweek 2022, die als thema ‘Eerste Liefde’ heeft.


Wedloop

Ach oorlog – zet er vrede tegenover:
Een missie die misschien nooit raakt volbracht
Maar waar we toe in staat gebleken zijn
Met bijna bovenmenselijke kracht

De bloemen staan zich lieflijk te verdringen
En vechten om een restje zonneschijn
In hoe een kat zich aan zijn prooi tegoed doet
Is zichtbaar wat ook wij ten diepste zijn

Wie kijkt naar de beschaving, naar de wereld
De mens en zijn ontstaansgeschiedenis 
Ziet dat die hele choreografie
In wezen toch een wapenwedloop is

Een zaak van eten of gegeten worden
Zo ging het en zo zal het blijven gaan
Dit is een wereld waarin zelfs geliefden
Elkaar nog naar het leven kunnen staan

Als je bedenkt dat dit het fundament is
We nooit van deze blauwdruk zijn bevrijd
Is vrede – toch nog driekwart eeuw bewaard –
Dan niet een indrukwekkend wapenfeit?


Wens

Ze had gevraagd of mij het wat zou lijken
om samen, zij en ik, bij maneschijn,
die avond naar de sterren te gaan kijken
(er zou een meteorenregen zijn).

We waren op een veldje neergestreken
en keken uren naar het firmament.
Zij heeft die nacht geen tel naar mij gekeken,
haar blik niet van de hemel afgewend.

Ze wees: ‘ja dáár, daar zag ik er weer één!’
toen ik het maar eens waagde op een zoen –
het resultaat was uitermate pover.

Ik snapte toen ze opstond en verdween:
het was haar nooit om romantiek te doen.
De sterrenregen liet te wensen over.

Geschreven ter ere van de Poëzieweek 2022.


Oud noch nieuw

Het oude normaal is utopisch gebleken
Voorbij als het jaar dat je achter je liet
Het nieuwe normaal blijft ook schromelijk steken;
Dit jaar mag dan nieuw zijn, normaal wordt het niet


Tussen de boeken

Geregeld doen mensen vrijwilligerswerk
Om niet dag aan dag thuis te zitten
Om toch af en toe ergens samen te klitten;
De groepsgeest beïnvloedt ons sterk

Zo vullen ze dan onbezoldigd hun week
Behaaglijk met mensen omgeven
Soms is wat ze doen ze dan zelfs om het even –
Nou, niet bij de bibliotheek

Hier zijn ze niet werkzaam ‘ter opvulling van’
Ze hebben hier echt iets te zoeken
Niet onder de mensen, maar tussen de boeken
En dienen een nobeler plan

Je ziet op de werkvloer meteen een verschil
Als liefde de drijvende kracht wordt
Dan doen mensen meer dan wat van ze verwacht wordt
In vrijheid en uit vrije wil

Dan denken ze mee en dan wordt er gebroed
Op duizenden bruisende plannen
Ze plegen zich honderd procent in te spannen
Opdat hier de geest wordt gevoed

Als ergens de taal om iets wezenlijks gaat
Kan weinig zo’n plek evenaren
Omdat er met lezen, met kennis vergaren
Pas ware verbinding ontstaat

Geschreven voor de ruim 300 vrijwilligers van de Bibliotheek Deventer, ter gelegenheid van Nationale Vrijwilligersdag.


Respect

Nog voor je achttiende een lintje, wat een zegen!
Wat een prestatie, man, ik vind het nogal wat
Dat is toch echt wel tof of vet of dik te noemen
Of lit of episch of hoe noemen jullie dat

Zoveel volwassenen die nooit zo’n hulde kregen
Al staan ze met hun hart en ziel en zaligheid
Voor dag en dauw, dag in, dag uit zich uit te sloven
Met alles wat ze in zich hebben toegewijd

Al wordt er heel wat afgezwoegd en kromgelegen –
Voordat het lintjescomité er iets in ziet
Is meer vereist, haast niemand heeft zo’n onderscheiding
‘In naam der koning’ (zelfs de koning zelve niet)

Al staan ze hele dagen konten af te vegen
Nog langer al dan jullie überhaupt bestaan
Dus is dat jullie dit ten deel valt domweg master
Of sick of gruwelijk, hoe duiden we dat aan

Wat nu nog na te jagen na zo’n lintjesregen?
Wat nog te dromen, kun je hoger dan de top?
Nou ja, misschien is de Nobelprijs voor de Vrede
Een leuk projectje? Ik zou zeggen: zet ‘m op

Geschreven ter gelegenheid van de uitreiking van de allereerste zogeheten jeugdlintjes, in voor de jeugdige gedecoreerden zo begrijpelijk mogelijke taal.


Een goede raad

Wat moet de provincie toch als zich weer eens een welhaast onoplosbaar probleem openbaart,
een heikele kwestie, een duivels dilemma, een punt van sociaaleconomische aard?
Dan kun je wel soebatten, jijbakken, twisten, maar dat had toch zelden effect tot dusver.
Je kunt je dan beter op kenners beroepen, en dan kom je uit bij de SER.

Als iets expertise vereist, het daarzonder niet gaat,
dan vraag je de SER om sociaaleconomische raad.

De SER Overijssel: een club die tien raadsleden, twee adviseurs en een voorzitter telt:
heer Webers, een uiterst bekwaam functionaris, wat uiteraard ook voor de anderen geldt.
Zij geven adviezen, doorwrocht en doortimmerd en deugdelijk, weloverwogen, precies,
dat is absoluut te waarderen, maar wie voorziet ooit nou de SER van advies?

Wie adviseert ú eens, al was het dan maar voor de gein –
Daar was ik al bang voor, laat ik dan zo vriendelijk zijn.

Al zijn het hoofdzakelijk zaken waaraan ik toch eigenlijk liever mijn vingers niet schroei,
ik ben al begonnen; ik las uw drie oogmerken, één daarvan is economische groei,
u zorgt dat door alle – of door zoveel mogelijk – mensen sociaal wordt geparticipeerd
en dat hier de inkomens eerlijk verdeeld worden, nou, dat klinkt niet zo verkeerd.

Een lijstje dat, als je de punten zo leest, veel belooft,
maar ergens ook niet, want één ding ziet u over het hoofd.

Het streven is steeds economische groei en dat maakt me toch soms wel een klein beetje bang.
Het is niet geheel onbelangrijk natuurlijk, oké, maar toch ook niet het grootste belang?
Hoe harder we werken, hoe rijker we worden, maar daar houdt het ook wel zo’n beetje mee op;
hoe rijker we worden, hoe rijker we worden, steeds is er een hogere top.

De pakjesbezorger die zich haast een hartinfarct rent,
waarom toch, waarom moet toch alles altijd efficiënt?

De zorgmedewerkers zijn met hun patiënten weleens tot een praatje geneigd, maar geen tijd!
Kortom, wat ik wil, wat ik heel graag zou zien is een beetje meer ruimte
voor menselijkheid.
Dit moet het maar wezen, dit was mijn advies, net als u het ook af en toe
doet: ongevraagd.
Misschien dus dat bij economische voorspoed de werkdruk kan worden verlaagd.

Wellicht overweegt u hier echt eens mee bezig te gaan,
zou leuk zijn, maar – laatste raad – doe het vooral rustig aan.

Ter gelegenheid van het 40-jarig jubileum van de SER Overijssel.


Gelijk

Er zijn eigenlijk twee soorten mensen:
de eerste weet dat er maar één soort bestaat,
de tweede soort meent dat er meer zijn
en daardoor heeft die laatste gelijk.

Elk geheel kun je onderverdelen.
Een mens is een lichaam met botten en bloed,
bacteriën, zenuwen, cellen,
terwijl hij zich als eenheid ervaart.

Zo is zelfs een atoom op te splitsen.
Wie inzoomt op iets, zoomt gelijkelijk uit;
een eenheid is altijd een veelheid.
Is dan ook elke veelheid niet één?

Vooralsnog zijn er twee soorten mensen.
Al drijven verschillen een wig tussen ons,
er worden ook bruggen geslagen,
tot zal blijken: wij waren gelijk,
hadden dat we verschilden gemeen.

Ter gelegenheid van de uitreiking van de Diversiteitsprijs 2021.


De poëzie ligt op straat

Geschreven voor het Deventer Woordwaarde Festival.


Van de grond

De moede aarde draait getrouw haar dagen.
Wij weten ons nog in haar schoot beschut,
maar zij zal ons geen eeuwigheid meer dragen;
we hebben haar volkomen uitgeput.

Hoe lang nog tolereert zij onze toeren?
Met roofbouw en met generaties lang
grootschalig biologisch oorlogvoeren
komt eens ons voortbestaan in het gedrang.

Dit lot lag al vervat in ons tuinieren;
zoveel werd reeds gerooid, gewied, gesnoeid.
Wat was er mis met welig laten tieren?
Waartoe ons tegen alles aan bemoeid?

We raken langzaam van de ernst doordrongen
nu de natuur, in al haar kwetsbaarheid,
waar zo nalatig mee is omgesprongen,
als zand door onze groene vingers glijdt.

Als straks het water stijgt tot onze lippen,
de dijken breken door de Grote Vloed
en elke ark hier stukslaat op de klippen,
de mens de wereld vlug ontvluchten moet,

bestormen wij de hemel als giganten,
om, als symbool van onze eigenbaat,
in onontgonnen grond een vlag te planten,
belichamend dat onkruid niet vergaat.

Voorgedragen tijdens de onthulling van het door kunstenaar Rob Sweere gemaakte en naar de naam WorpScape luisterende kunstwerk in het Worpplantsoen. (Foto: Ben van Raan.)


Etty

Ik zie je voor me: ijverig studerend
met nietsontziende ogen, klaar als glas,
de stof doorgrondend, alles absorberend,
het leven en de liefde explorerend;
het meisje dat je vóór de oorlog was.

Ik zie je voor me met een hoofd vol dromen,
een krachtige vitale levenslijn,
ik zie je van bezieling overstromen –
en jou het allerergste overkomen:
jouw liefde die niet wederzijds mocht zijn.

Ten onder ging wat net was opgerezen.
Wat jou – het te bevattene voorbij –
gebeuren zou, stond in geen hand te lezen,
maar hoe het ook ontspoorde, in jouw wezen,
vanbinnen brak je uit en kwam je vrij.

Ik zie je tegen duizend muren lopen,
ik zie je redderen in de barak,
maar met je ogen opener dan open.
Ik zie je kijken, zonder blind te hopen,
voorbij jezelf, voorbij het oppervlak.

Jouw binnenwereld zou een rijkdom blijken.
Misschien heb jij het mogelijk geacht
dat jouw ideeën en manier van kijken
nog ver voorbij die muren zouden reiken,
nog lang nadat jouw hart was uitgedacht?

De haat liep dood, jouw liefde zou beklijven.
Dit centrum is ervan vervuld geraakt,
gegrondvest op jouw denken en jouw schrijven.
Jij schreef eens: ‘je moet zelf het centrum blijven.’
Dat is hier, denk ik, meer dan waargemaakt.

Geschreven ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Etty Hillesum Centrum, voorgedragen bij de viering van dit jubileum in het EHC.


Uit eerbied

Besef jij wel hoe vrij je bent?
Dat jij je ongehinderd kunt bewegen,
je overal je mening, voor of tegen,
mag uiten zonder dat je wetten schendt?

Dat jij mag voelen wat je voelt,
bekritiseren wat je niet vindt deugen,
welk feit dan ook mag houden voor een leugen,
mag roepen tot je woede is bekoeld,

zo hard je wilt, naar hartenlust,
je altijd op mag komen voor je rechten,
en voor je overtuigingen mag vechten?
Ben jij je van die vrijheden bewust?

Dat jij mag vinden wat je vindt,
dat geen gedachtegoed hier is verboden,
jij boze demagogen mag vergoden,
dat juist die vrijheid is wat ons verbindt?

En ken je haar geschiedenis?
Weet jij hoe er gevochten is, gestorven,
dat zij met bloedvergieten is verworven,
toen pijnlijk blootlag hoe fragiel zij is?

Laat daarom ons en iedereen
een beetje vredelievendheid betrachten,
uit eerbied voor wie ons de vrijheid brachten
en voor de vrijheid in het algemeen.

Geschreven ter gelegenheid van Dodenherdenking 2021. Hieronder de opname (vanaf 10:25), gemaakt door Rocketboys.


Lofdicht

Wanneer een mens iets goeds verricht,
als iemand je een gunst verleent,
weegt, hoe hartgrondig ook gemeend,
een dankjewel al snel te licht.

Laat staan als er aanhoudend wordt
geruggensteund en klaargestaan,
dan moet je toch iets verder gaan,
schiet ieder woord van dank tekort.

Wanneer een mens uit empathie,
en niet alleen maar jou of mij,
maar de gehele maatschappij
bedient, volstaat geen doos Merci.

Elk lofdicht is hier ondermaats.
Om onze dank te laten zien
en laten vóélen, is misschien
een onderscheiding op zijn plaats.

Een eerbewijs van hogerhand,
in naam der koning, officieel,
een viering, ceremonieel,
benoeming in de Staatscourant.

Zo pogen wij, uit pure nood,
uit machteloze dankbaarheid,
met opperste intensiteit
te zeggen: onze dank is groot.

Geschreven voor de Deventenaren die een koninklijke onderscheiding mochten ontvangen. In het filmpje hieronder, gemaakt door MILLION MILES, draag ik het voor (vanaf 0:48).