Alied van der Meer


Nieuwjaarsdag 2023

Deze dag

til haar omhoog, bekijk haar van dichtbij
hou haar vast met eigen handen
zoen haar op haar zachte hoofd
al komt ze voort uit vorig jaar
zij kent geen toen, ooit en voorbij
zij is de eerste, zij is wáár.

Deze dag
we plaatsen haar als vlag, tussen vergeten dagen
we noemen haar stilzwijgend: die in ons gelooft.

De mist ligt op de velden als nog maar een week geleden, het water komt uit dezelfde kraan, het brood uit dezelfde zak, we openen en dichten gaten zoals we alle dagen deden.

Maar deze dag
kent ander licht, ze ruikt naar zon
ze lijkt op sneeuw, ze is een dag van vergezicht
ze gaat ons voor met nieuwe zinnen
wakker geworden, dapper geworden
slaan we een bladzij om, gaan aan een nieuw verhaal beginnen.

Evenveel honden met klitten in hun vacht, staar in hun ogen uitgelaten door hun bazen in de nacht, evenveel armoede onder koude bruggen, evenveel schatten in de grond, onder zwaar werk gekromde ruggen, maar deze dag is ’t onderscheid: een meisje dat je plotsklaps ziet zoals ze ook kan zijn, een jongen met een lief gebaar, onopgemerkte mogelijkheid.

Hoeveel mensen die nog steeds niet weten, want hóe in vredesnaam, zich wentelend in winterslaap om alles te vergeten, hoeveel rotte stronken ook, op het omgewoelde veld, we hebben over heel de wereld tóch naar haar afgeteld, we willen het proberen, we willen waaien, met haar mee.

Deze dag
een uitgekomen madelief op vele lagen oude aarde
een open plek in een stil bos en argeloos daarin een ree.

Zij is de eerste dag van meer
dagen om net zo waar te worden
als we winnen, als we wagen

als we durven.

Dit gedicht is op Nieuwjaarsdag uitgedeeld en voorgelezen aan bezoekers en voorbijgangers op het Grote Kerkhof in Deventer.


Voor de vrijwilligers van Deventer

Wat je ziet is heel gewoon: handen die deuren openzwaaien, een koffiepot vastpakken, een wilg knotten, jonge plantjes water geven. Of als troost op een verdrietig hoofd liggen. Wat je ziet is vingers die de weg wijzen, een draad door een naald sturen, een bladzij omslaan, een pen oppakken en woorden opschrijven die plotsklaps begrepen worden, die als een kwartje in een ‘voor altijd weten’ vallen. Wat je ziet is benen die kracht zetten, een fiets in beweging brengen en met iemand achterop langs de IJssel rijden. Alle muizenissen uit een veel te vol hoofd laten waaien. Wat je ziet is voeten die aarde in de moestuin aanstampen. Dat is wat je kunt zien als je er oog voor hebt, zo snel is het voorbij.

Hoe iemand zijn arm, haar hand, hoe iemand een ander in de ogen kijkt.

Waar het tenslotte om gaat is dit
dat wat onzichtbaar in jou zit
iets dat vindt dat dit moet.
iets dat maakt dat je dit dóet
voor een ander, wie dan ook,
die steeds opnieuw weer even ademt
zingt of zoemt of glimt of lacht.
en dat jíj dat hebt gedaan.
Weet dat.
Wat het ook is en waar het ook zit
ik noem het je ware
levenskracht.

Deze tekst werd in opdracht gemaakt voor alle vrijwilligers van Deventer. Op 7 december 2022 werden zij door Deventer Doet in de bloemetjes gezet en ontvingen daarbij ook het gedicht.


Past het?

Er past heus een muizennest in een wc fontein

en moltons in een meterkast? Ja, ook dat moet kunnen.

Tulpenbollen voor de lente doen we in de koektrommel

en hang de koffiekopjes vandaag maar buiten aan de lijn.

Verse kadetten voor de zondag leggen we naast jou in bed

of doe ze in de dekenkist samen met de voetbalrommel.

De rode wijn laten we klotsen tussen de plinten van ’t parket.

Tafellakens kunnen we proberen in de oude regenton

samen met de legoblokjes, poppenbedjes, zomerjurken,

plus aardappels en suikerzakjes, ingemaakte grasaugurken.

De fietstas is perfect toch, voor de Belgische bonbon.

Voor koolmeesjes: de keukenla! Top, best een goed idee.

Kunstgebitten, tandenborstels geen punt, gewoon in ‘t vergiet

Beetje duwen, beetje trekken, kom op, geef es ff mee!

Heb vertrouwen en zeur niet, dan komen we er vast wel uit

maar of het nou heel LEUK wordt, daar zeg je wat, DAT weet ik niet.


Wees wijs met het wezen van

De liefhebber wil sfeer en klank
en klank een goeie kast
niet elk huis is dus zomaar goed
niet elke klankkast past.

Een huis heeft kamers en een hart
een hart wil stromend bloed
zie hoe ’t met ademnood en ruis
in het al lang te krappe huis
voor deze burgers wezen moet

Laat hen in leven, verzin een list
niet slechts voor nu en voor de centen
maar een waar muziek in zit
wees wijs met het wezen van, kies het béste, en voorgoed.


Het begin van het ware leven


Putdeksel met Nering Bögel bv Weert

Deze week fietste ik eraan voorbij:
een man, ook nog goedgekleed, groef met z’n hand in een put.
Ik fietste eraan voorbij,
vroeg niet wat hij zocht,
knielde niet naast hem neer,
stak geen helpende hand in de smurrie.

Wat is er tevoorschijn gekomen?
Een groeibriljant, een ooglens een winnend lot?

Ik weet het niet en dat spijt mij.
Wat spijt dat mij, dacht ik steeds
en nu nog regelmatig.

Nu ken ik een put
een put met een deksel, en een geheim.
Voor een put is dit het beste wat er kan gebeuren.
Iemand laat iets in hem vallen,
iemand wil het terug.

Zo begint het.

Het wordt nacht en ik droom,
het wordt dag en ik wil weten
hoe hij heet
keer terug en zie
in oud metaal,
zeg zijn letters, allemaal:

Nering Bögel B.V Weert.

De put voelt zich liggen.
Ja, zo heet hij.
Nog nooit is er zoiets gebeurd.
Als hij op kon staan deed hij het,
als hij kon zwellen zou hij dat doen.
Hij blijft liggen,
strak in de straat,
een echte Bögel B.V.

Wat je ziet is ijzer
maar van binnen klopt de trots,
de trots van: ik ben deze put
en ik ben een geheim.
Iemand laat iets in mij vallen,
iemand komt terug

Nu weet hij het:
zo begint het.

De poëzie ligt echt op straat. In de vorm van een put deze keer. Helemaal fijn dat deze van Nering Bögel was. Die begon ooit, lang geleden in Deventer en werkt dus nog steeds door. In de poëzie.


Wil je me blijven zien

Ben vergeten brood te kopen
heb’t het vuilnis niet op straat gezet
ook de kraan weer laten lopen
niet op de kinderen gelet.
De kachel te hoog afgesteld
de hond ’s nachts niet meer uitgelaten
mijn moeder niet meer teruggebeld
vis geserveerd met duizend graten.
Alle klussen zwart betaald
bij de film in slaap gevallen
de foute tandpasta gehaald
en tot overmaat van ramp
mijn puzzelprijs laten vervallen.

Maar als ik lastig word misschien
Wil je me dan blijven ZIEN?

Het schilderij scheef opgehangen
het bord van woede stuk gegooid
bijen in een pot gevangen
en een vogeltje gekooid.
Alle buren niet gegroet
de spitskool te ver doorgekookt
geleefd op veel te grote voet
en als een ketter doorgerookt.
Het formulier heb ik natuurlijk
expres met fouten ingevuld
en in contact met ouderen
toon ik steevast geen geduld.
De rekening is niet betaald
oud zeer heb ik weer opgerakeld
het kerstmenu alleen bepaald
en glaswerk torenhoog gestapeld.
Zeven verjaardagen verzuimd
misverstanden niet vertaald
alle kroegen afgeschuimd
en ook nu, het spijt me zeer…
ook mijn prik weer niet gehaald.

Maar als het echt niet gaat misschien
Wil jij me dan blijven ZIEN?

Een prutsgedicht heb ik geschreven
van wandaden geen spijt betuigd
mijn zin te vaak stug doorgedreven
de teckel meermaals afgetuigd.
Wat ik allemaal beweerde
raakte soms echt kant noch wal
en wat ik roekeloos begeerde
geen probleem hoor, want ik stal… (maar jouw bol heb ik geaaid en ook nog klaprozen gezaaid!)
Meer kan ik er niet van maken
en weet het best, je vindt me laf
ook bij de buurtquiz ging ik slapen
en van mijn booster… zag ik af

Maar op het moment dat het zover is
want ooit gaat het natuurlijk mis
en fluister ik met zwakke stem:
Wil je me nu heel misschien
toch gewoon wel blijven ZIEN…..zoals ‘k nu eenmaal ben.

De gedichten ‘De handreiking van de poëzie, een gedachtegang’ en ‘Wil je me blijven zien’ zijn gemaakt en gepresenteerd tijdens de 12e Geert Grote dag. Deze dag was op zondag 16 oktober in het Geert Grote huis in Deventer en had het thema ‘Ziekte en solidariteit’.

Het prozagedicht ‘De handreiking van de poëzie, een gedachtegang’ werpt een licht op het onstuimige maakproces van de poëzie en de parallel die er wellicht is te trekken met het ongebreidelde groeien van een virus én de talloze opvattingen over hoe je er het beste mee om kan gaan. Want: hoe krijgen we al die vaste feiten, wilde gedachten, dromen en drogbeelden tot een praktisch plan van aanpak? De poëzie draagt een idee aan!

Het gedicht ‘Wil je me blijven zien’ kunt u lezen als lichtvoetig toetje na gedane arbeid.


De handreiking van de poëzie, een gedachtegang


Als ik zelf begin of anderen wil laten beginnen met zoiets moois en wonderlijks als poëzie, dan breng ik de start terug tot een kern, één woord.

ROOD of GROOT of DOOD of BLOOT. Begin maar met één van die woorden zeg ik dan tegen mezelf of tegen degenen die met me aan tafel zitten.

Daarna vangt het aan, het grote uitwaaieren vanuit het woord. Het zwermen, zoeken, zwemmen, zweven tot in de meest bizarre uithoeken. Het associëren richting bossen en meren, open zee of verborgen achterland, dromen, drogbeelden, doemdenksels waarvan je niet wist dat je ze in je had. Je hebt ze wel.

De pennen krassen, de koffie wordt koud, het regent maar je merkt het niet, het gaat maar door. Het een volgt uit het ander. Tot je ineens denkt: er is voor anderen dan ikzelf geen touw maar aan vast te knopen. Dat denkt iedereen ongeveer op hetzelfde moment.

Als je al die hoofden boven die krassende pennen in beeld zou kunnen brengen dan zou je een GROOT, BLOOT, ROOD netwerk zien, zichzelf voortstuwend, vermeerderend, variërend, mutilerend.

Het zou lijken op het groeien van een virus, het zou lijken op het in bezit nemen van een lichaam, het zich verspreiden van het virus door alle provincies van het land, inclusief de Marker Wadden. Het zou ook lijken op wat iedereen in dat land over het virus denkt en over de wijze hoe het verspreiden een halt te toe roepen. Het zou lijken op het leven zelf. Onverwacht. Ongebreideld hard en in vele mogelijke varianten alle kanten op groeiend, waar het maar kan…en ook waar het beter is van niet.

STOP

Want hoe krijgen we alle woorden in een richting, alle dromen tot daad, de duizendvoudige gedachten in een plan waar we met mee vóórt kunnen in alle chaos en verwarring. Al schrijvend zeg ik tegen mezelf en de anderen als ze dan tenminste nog steeds samen met mij en de poëzie aan tafel zitten: breng de meest vechtende woorden samen, laat ze samen de strijd aangaan in de taal, zich bij elkaar voegen, een zin vormen. Verdoezel de boze geesten en gedrochten niet, geef angst een gezicht, laat woede eerst maar schreeuwen, geef verbeeldingskrachten en waangedachten een speelveld, vermoeden een stem. Breng ze samen.

Laat ze binnen. Liefst in één alinea, dicht opeengepakt, zodat ze elkaars scherpe kanten bij elke beweging voelen en er iets op moeten verzinnen.

Dan mogen de vragen. Kietel ze van alle kanten. Lok ze. Bereid ratio vast voor op het podium, rust haar uit met een luisterend oor. Een vormbeginsel. Geef haar het woord als al het andere is leeggeroepen, stomgefluisterd, uitgevraagd en uitgehoord.
Vooruit zeg je: nu of nooit, neem het woord.

Wat je van de poëzie, m.a.w van het leven -inclusief ziekte, problemen, politiek- moet weten, is dat alles wat je onder het kleedje veegt terugkomt op je bord, dat je dat wat stinkt, uiteindelijk toch moet eten. Dus vooruit. Eet het.

Weet dat je niets kunt ontlopen, dat straathonden het sterkste zijn maar toch een baas willen.

Pak ze bij de kladden. Voer ze naar huis.

Ik kan alleen maar hopen dat de rest van het land hier iets aan heeft. Inclusief de virologen. En de Marker Wadden.

De gedichten ‘De handreiking van de poëzie, een gedachtegang’ en ‘Wil je me blijven zien’ zijn gemaakt en gepresenteerd tijdens de 12e Geert Grote dag. Deze dag was op zondag 16 oktober in het Geert Grote huis in Deventer en had het thema ‘Ziekte en solidariteit’.

Het prozagedicht ‘De handreiking van de poëzie, een gedachtegang’ werpt een licht op het onstuimige maakproces van de poëzie en de parallel die er wellicht is te trekken met het ongebreidelde groeien van een virus én de talloze opvattingen over hoe je er het beste mee om kan gaan. Want: hoe krijgen we al die vaste feiten, wilde gedachten, dromen en drogbeelden tot een praktisch plan van aanpak? De poëzie draagt een idee aan!

Het gedicht ‘Wil je me blijven zien’ kunt u lezen als lichtvoetig toetje na gedane arbeid.


In dit huis

is elke kamer een ander land
elk bed een kloppend hart in een ander verhaal
een andere vlucht, een andere taal
Misschien herkennen deze mannen elkaar
in boze dromen onder blauwe dekens
gemaakt van zee
het openzetten van een raam
het willen horen van buitengeluid
het verzamelen van potten en pannen onder hun bed
Ze nemen elkaar zonder uitleg mee
in verborgen pijn
van hetzelfde soort liedjes, hetzelfde refrein.

Hoe het kan
in deze kamer
zoveel moed, zoveel man

Alles is hier op doorreis
ontvankelijk, behoedzaam, stil
de geur van appel, smaak van munt
het zachtjes roeren in een glas
het pellen van banaan
maar tussen alles door gloeit er
de rechtopstaande wil
om ergens ooit aan land te gaan.

Alied van der Meer: “Dit gedicht gaat over een bezoek aan een bewoner van het AZC in Schalkhaar. Ik was hem eerder deze zomer tegengekomen in de stad waar hij me spontaan aansprak en blijk gaf van de vaste wil om de Nederlandse taal machtig te worden en werk te vinden. Bij mijn bezoek aan het AZC was ik onder de indruk van de gastvrijheid die deze man bood binnen de beperkte mogelijkheden en de muren van zijn eigen -met 2 andere mannen gedeelde- kamer. Deze gastvrijheid, samen met de enorme veerkracht van mensen die huis en haard hebben moeten ontvluchten, zijn 2 inspirerende waarden die ik met dit gedicht voelbaar wil maken. Het past ook bij mijn stadsdichterschap waarin ik gebeurtenissen, groepen en mensen die niet de krant halen, maar die dapper en onopvallend doorleven, in het licht wil zetten. In hen schuilen vaak de mooiste verhalen. En gedichten.”

Het gedicht werd zaterdag 24 september 2022 uitgedeeld aan de bezoekers van de Open dag op AZC Schalkhaar.


Op hol

In het begin sla je een beetje op hol

Overal is een gedicht:

De man die zomaar op je schouder tikt tijdens de wandeling omdat hij even wil praten,

een gedicht.

De imker met een bijenkorf op het stadshuis die je toevallig tegenkomt in de plaatselijke boekhandel,

een gedicht.

De naam Nesar, -betekent ‘zon’- die met schelpen in het zand onder de brug is gelegd,

een gedicht.

Het plantje met de naam Klein liefdesgras bij de Raambrug midden in de regen, nog een foto van genomen, ik denk onderbelicht,

maar toch, een gedicht.

Een jongen die zijn vriendje zachtjes toevertrouwt dat hij fan is van Vitesse en waarom,

een gedicht.

Ergens achter de ruitenwisser, een zwierig uitgeschreven bon,

een kunstenaar die in een gebouw zit waar ze laatjes vol met hulshuidjes van wandelende takken bewaart, naast een bakker in dat zelfde gebouw die glutenvrij bakt, naast een kapper die naast haren ook baljurkpatronen knipt, naast een uitgewoonde bus onder een lekkend dak met planten in de scheuren van het beton, in datzelfde gebouw dat uiteindelijk, zo wordt ons verzekerd van alles gaat worden, maar eigenlijk juist nu al is, er schijnt dwars door de regen, zon,

een fiets stomweg vergeten na kroegbezoek volledig overwoekerd met slingerplant,

mogelijk allemaal

van dichterlijk gewicht.

Maar nu is het avond en daarna nacht dus val ik om en zwicht.

Het komt ooit vast en zeker wel

nu staat alles in de wacht

maar wegens op hol en voor de lol

prop ik ze voor middernacht vast snel

samen in één gedicht.

Alied van der Meer: “Gedicht over een voor stadsdichters geloof ik zeer bekend verschijnsel: dat je overal en in alles een gedicht ziet. Dat je niet rustig door de stad kan fietsen of lopen zonder weer drieëndertig onderwerpen tegen te komen. Misschien wordt dat mettertijd iets minder? Of zou het juist steeds meer worden? Het komt hoe dan ook je nachtrust niet ten goede maar is wel een overduidelijk bewijs dat de poëzie overal is waar je je blik scherpstelt.”


September, soms

Zo stil is alleen september soms
zo roerloos oud
en goedgemutst

Niemand heeft plannen
of steekt de straat over
als dat niet hoeft

Achtertuinen zacht, slordig, per ongeluk
slechts kleine bedoelingen, bramen
talloze open ramen
iemand in een kamer zingt prachtig vals
bosje sleutels aan buitendeur, achteloos
kat likt water van groot, groen blad
spinnen, wespen, vergeten dameslectuur

Niemand heeft iets in de gaten
iedereen blijft

Er is oogst
Er is stilte
Er is september

Er is een witte vogel in een blauwe lucht.

Alied van der Meer: “Gedicht dat ik in een eerdere septembermaand schreef in een Deventer binnentuin, maar toch nog steeds geldt als zich weer zo’n nazomerse, stille, ‘oude’ dag aandient!”


1e gedicht van Alied van der Meer

Hoera ik ben stadsdichter. Een mooie klus voor de komende 2 jaar!

Voor het 1e gedicht op de avond van de overdracht, heb ik aan het publiek gevraagd of ze me woorden wilden toeroepen die ze mooi, grappig, vreemd of fascinerend vonden. Woorden die we misschien niet zo vaak gebruiken of in de vergetelheid zijn geraakt. Ze dragen bij aan de biodiversiteit van de taal. En die schijnt – is wetenschappelijk vastgesteld – samen te hangen met de biodiversiteit in de natuur. Het leek me in deze hete, droge zomer dus dubbel en dwars een goed idee om die met z’n allen naar boven te hengelen en een nieuw leven te geven. De woorden kwamen met gemak tevoorschijn uit het publiek en dat was al een hoopgevend genot. Laten we veelsoortigheid en de vreemdsoortigheid koesteren. In de taal en in de natuur!

Zo waren we bezig op een avond in september
een eerste begin
We waren bereid
tot levende woorden
bewogen van een leeg veld
naar di-ver-si-teit
we zaaiden het in
in een poging tot zin.

Er gloeide een Decanteren op
En Flierefluiten sloot zich aan
Tergend kwam voorbij samen met Amper, Klikspaan en Zwerk
Het grote Labbekakken ontsproot
Ja, nu kwam het echte werk
Leviteren vroeg een podium
Gramschap stond op uit de dood
Een onvervalste Kwispedoor spatte uiteen in ons gezicht
Hemelsbreed en Evenwicht voegden zich naadloos in het geheel
Het ging goed en steeds beter, het was al bijna een braaf gedicht.

Die avond in september
we gingen ons te buiten, we raakten op drift
en bogen de stroom naar waar die moest gaan
richting drogende IJssel, verliezende linde, en dappere Plataan.