Gedichten


Ode aan de Deventer brandweer

Aan water is soms niet zo
heel veel te begrijpen
bij hoog dansen de vissen
bij laag vind je verroeste fietsen
en bij tegenslag ten onder
wil je weer naar boven.

Blijf je haken achter oude ankers?
Kan je de stromingen niet duiden?
Klinkt engelengezang?
Hoor je de klokken luiden?
Wie de luchtbellen te lang
van te dichtbij kan tellen
wil eindigen in sterke armen
aan een navelstreng ad interim
als toen alles in water ooit begon.

Houd moed, kop op,
wacht ademloos op lucht,
blijf hopen op een wonder
voor jou, speciaal voor jou,
duikt iemand kopje-onder.

© 2010 Heleen Bosma

De Deventer brandweer mag niet langer duiken volgens de moderne techniek waarbij lucht door een slang wordt aangevoerd vanaf de wal. De inspectie verplicht tot de oudere techniek met de gasfles op de rug. De duikers vrezen voor hun veiligheid en gaan niet langer te water.


Bord

Deventer Gedicht naar aanleiding van een vrijwel vergaan bord in het Wechelerveld, aan de kant van Schalkhaar.

Bord

De borden waarop ooit iets
ten strengste verboden is geweest,
staan op vergeten percelen
in de schaduw van verwaaide bomen
achter uitgedijde hagen.
Niks is ervan over dan schroefgaten,
een vermolmde paal, een rechthoek roest.

Wat heeft hier niet gemogen?
Pissen tegen bomen,
hazen wurgen,
beminnen in het struikgewas?
Of moest er iets wel?
Eet op die schillen en dozen,
hark streepjes binnen de perken en kijk
– wees stil! – op kousenvoeten
hoe ver ze strekt, de blauwe lucht,
en rap een beetje.

Een rechthoek roest, grijp kansen, nu.
Ontsnap door de kogelgaten in oud ijzer,
laat het zweet onder oksels verdampen,
drapeer hardnekkige dreigementen
naast het bankje in de prullenbak.
Doe wat je wilt, en doe het snel,
ergens in een kille loods
staat altijd weer een leesbaar bord
klaar in de grondverf.

Heleen Bosma


Pierkesmars, 5 januari

Wit ingepakt ligt klaar
het land van Pierkesmars.
De weldaad van weinig,
een paaltje toegedekt met sneeuw.
In de berm slaapt een dode hond,
luistert met zachte oren
naar gedruis van is gedaan.

Het is gedaan, het nieuwe jaar
is ingekust, er mag gerust
zwijgen de grijze bomen.
We hebben elkaar, we hebben nog hooi
en zien vanzelf wat er tevoorschijn komt
bij het ontdooien.

Heleen Bosma

2010 – Deventer kent dertien buurtschappen. Pieriksmars, of Pierkesmars zoals
de bewoners zelf zeggen, is daar een van.


Stadshaven

Wees maar zo zeker niet
van eeuwig en altijd,
er zinkt nogal eens wat
naar de bodem, van tradities
en we-hebben-het-toch-goed,
geen vissersfuik of pikhaak
die daar wat tegen doet.
Nog even, alles keert zich
in het leven, en we dreggen
de geschiedenis op.
Nog even en ooit splinternieuw
moet op de schop.
Nog even  en er spoelt een haven aan,
zie de tijd grinnikend op de kade staan.

Heleen Bosma

Al lange tijd gaan er stemmen op de oude Deventer stadshaven weer in ere te herstellen.
Inmiddels liggen er verschillende plannen van verschillende initiatiefnemers.  


Zus

Je bent nog niet uit tijd geweven
de stem van juf klinkt ondraaglijk lang
je tuurt naar een wandplaat naast dichte gordijnen
zoekt zuurstofhappend naar samenhang
tussen apen, noten, poezen,
vergeelde kezen, kale doezen,
het e’tje in weide, haast een speldenknop,
de streepjes bij scha-pen, ertussen én er bovenop.
En waarom heet wim niet broertje maar zus wel zus?
Jaren later, de wereld leest al ‘maan roos vis’,
leer je een tante kennen, die helemaal niet je tante is,
wel tante Zus, hmm, zó zit dat dus.

De dubbele bodem
en daarmee voet aan de grond krijgen
waar dan ook.
Maar eerst niet weten dat je lezen kan,
alleen weten dat je daar wilt zijn,
bij letters,
bij desnoods het leesplankje,
bij saaie maar-er-is-niks-anders uit elkaar vallende boekjes,
bij het etiket van de pindakaas
bij middagen opstellen maken met vieze woorden waar je
veel sneller dan je wilt, blijft steken wegens onwetendheid,
bij het boodschappenlijstje van de jongen die, steeds één ding,
meer dan honderd keer boodschappen wil doen op een dag,
een langere lijst dan je ooit zag.

Pas veel later boeken
en ademloos dichterbij dan je ooit
bij iemand was geweest,
ook bij jezelf.

©2009 Heleen Bosma

M.B. Hoogeveen, schoolhoofd van de latere Hagenpoortschool, ontwikkelde in Deventer in circa 1897 het leesplankje ‘raam roos neef’ dat de voorloper was van het latere ‘aap noot mies’.
Dit gedicht is geschreven voor de Week van de Alfabetisering 2009.


Eiland

Enkel water om mijn randen
Ingebed in geulen:
Luctor et emergo.
Altijd nattigheid om handen
Niemendal te heulen
Daarom steeds a tergo.

Op verzoek van De Eierlandpers te Schalkhaar, ten behoeve van een leporello De IJssel, samengesteld door De Hanzepersen. Deze vierde uitgave van De Hanzepersen, een collectief van drukkers langs en rondom de IJssel, verscheen in maart 2009, in een oplage van 74 exemplaren.


Een jaar Deventer Ziekenhuis

Zo kom ik aan:
over het Mensinksdijkje of de Bolkesteinlaan
met sirenes of muisstil
omdat ik moet of omdat ik wil
in mijn eentje of met mijn lief
in mijn hand de brief
met adres, routes, cryptische termen,
een naam om over te ontfermen

Ik kom sprakeloos, ik kom met vragen
ik kom op afspraak of onverwacht
ik kom driehonderdvijfenzestig dagen
ik kom middenin de nacht
ik kom door regen, zon, mist, wind
ik kom voor vader, moeder, mijzelf, mijn kind

Ik per buik, ik kom met rollator
ik kom acuut, ik kom wat later
Ik blijf maar even, ben zo weer weg
of heb pech, blijf een nachtje
of zelfs langer
ben zorgeloos of banger
dan ik dacht dat ik zou zijn
hoop op cijfers en Latijn
hoop en wens
zie mij leven
zie mij, een mens

© Heleen Bosma


Voor de veteranen

Veteraan, lees: oudgediend
Klinkt als: uitgediend
Voelt als: afgedankt.
Op de plaats rust
Naast de laatste rustplaats
Van hen die vielen.

Maar tussen vallen en opstaan
Sneven en overleven
staat vaak alleen het toeval.

Jos Paardekooper,
Deventer, Veteranendag 2009


Genoeg geduld

en
zo hoort het ook het oude
moet altijd wijken voor het nieuwe
precies veertig dagen zijn ze geduld
de verse glazen de glazen verzen
de heilige huisjes in hun plantsoen

maar
toen zijn ze met alle geweld
want het geduld was op
uit hun quarantaine gebroken
in het plantsoen hun plantsoen
‘er is een poëzie die wij afschaffen’

want
soms gaat het van au het herscheppen
van oude kunst in nieuwe vooral als
aanstormend talent op dichterspad gaat
met koevoet en breekijzer de vulpen
van de beeldhouwer bij de hunnen
.

Gedicht ter gelegenheid van de herinrichting van het Dichterspad in het Nieuwe Plantsoen, door een nieuwe, nog onbekende generatie Deventer dichters; hun eerste, vooralsnog niet openbare optreden bestond uit het op ceremoniële wijze aan gruzelementen slaan van alle onlangs aangebrachte dichtkunstwerken in dit dichterspad.


Een Pentagon in Moskou aan de IJssel

Eens was er het gestage van de dagelijkse gang
Langs es en enk en over het Graveland
Zag je het trage trekken van het paardenspan.
Maar onweerstaanbaar naderde de stad, en eerlang
Kregen makelaar en masterplan de overhand.

Nu is de buurt verduurzaamd en verkaveld
In Voorden, Jeurlink, Fetlaer, Op den Haar,
Er wordt des avonds honderdvoud getafeld
Voorheen het lege land is nu beteugeld en ontrafeld
We krijgen en we doen het met en voor elkaar.

Jos Paardekooper

Dit gedicht over De Vijfhoek werd geschreven ter gelegenheid van het festival ‘Kunst om de hoek’, dat zich afspeelde in De Vijfhoek, en dat op zondag 8 juni 2008 in ‘De Ulebelt’ officieel van start ging.
De woorden ‘het lege land’ zijn een knipoogje naar en een hommage aan het gelijknamige meesterwerk van Auke van de Woud.
Het gedicht is niet geheel toevallig geschreven in de vorm van een  ‘pentagoon’, ‘kwintijn’of op z’n Nederlands een ‘vijfhoek’: elke strofe bestaat uit vijf regels, met het rijmschema abaab. Met een eenvoudig, toevallig ook op ‘De Vijfhoek’ toepasbaar voorbeeld:

Een cirkel heeft geen hoeken
Een vierhoek heeft er vier
Dat staat in alle boeken
Maar een vijfhoek moet je zoeken
Die vind je enkel hier.


Deventerkermislied

Vrij naar: G.A. Bredero, ‘Boeren gezelschap’

Arent Pieter Gijsen, Jan-Joost en Zerko Zwaan
Die wilden naar de Deventer zomerkermis gaan –
Zo gezeid en zo gedaan.
Men ging op pad, kwam hallef zat
Op ’t Grote Kerkhof aan.

Arent Pieter Gijsen was fors en goed gebruind;
Spijkerbroek en T-shirt, en een petje op z’n kruin,
Wat scheefjes en wat schuin.
De tanden bloot, de handen groot,
Elkeen was goed geluimd.

Toen dan dit volkje te Deventer aankwam,
Troffen ze daar Remco en Luuk en Joris Kram,
En Ronald Breugelmans;
Met Bernard Vorst, Joop van der Horst
En Adri Dubbeldam.

De meisjes van Schalkhaar en de Colmschater-buurt
Die hadden heur wangen zo wonder geplamuurd,
O ze werden zo begluurd!
En kijk Katrien had van Carien
Een legging ingehuurd.

In de Zevende Hemel daar werd toen zo geschranst,
Gedobbeld, gedronken, gezongen en gedanst,
Geflikflooid en gesjanst.
Men riep om wijn, het moest zo zijn,
Want heerlijk duurt het langst.

Maar Laura en Linda die hadden zo’n plezier
In ’t steegje van Sint Jan en in ’t gras bij de rivier,
Verhit door wijn en bier
Werd onvermoeid gedold, gestoeid,
Ach, ’t was zo’n zoet vertier.

Benevelde Arent, die trok het eerste mes,
Luuk in een reflex sprong dadelijk met een fles
Voor z’n maten in de bres.
Het was geen grap, daar viel een klap,
En nog een stomp vijf zes.

De meisjes die waren al gillend weggesneld,
Bang voor de gevolgen van het zinderend geweld,
Luuk lag al uitgeteld,
Verkrampt van pijn, het moest zo zijn,
Door messteken geveld.

Zerko nam een barkruk die bij de tapkast stond,
Stoelen en tafels, ja alles vloog in ’t rond
Wat zich binnen maar bevond
Ging door de ruit – ’k nam een besluit:
’t Werd mij te ongezond.

Gij dames en heren, beschaafd, welopgevoed,
Mijd die stoeipartijen: ze zijn zelden zo zoet
Of  ’t kost iemand z’n bloed.
Dus drink met mijn een glaasje wijn,
Dat is u wel zo goed.

Jos Paardekooper, Deventer, 1 juni 2009


That day

After all these years – not a single
day had passed without her thinking
of  that day, in May;
he would never return.

He was taken away,
in his dry-cleaned suit,
with his checked necktie,
a present of his wedding day.

She thought of his raincoat
and the colour of his shy eyes
and the smell of his dry skin after shaving
and the smell of his naked skin before shaving.

He would never return,
that day, in May.

Jos Paardekooper


Geen dag

Na al die jaren – er ging nog steeds
geen dag voorbij of ze dacht wel even
aan die ene dag in mei;
hij zou nooit meer terugkomen.

Hij was opgepakt en meegenomen,
met zijn pak dat hij nog maar pas
had laten stomen, met zijn geruite das,
die hij op zijn trouwdag had gekregen.

Ze dacht aan zijn regenjas
en de kleur van zijn verlegen ogen
en de geur van zijn droge huid na het scheren
en de geur van zijn blote huid voor het scheren.

Hij zou nooit meer terugkeren,
die ene dag, in mei.

Jos Paardekooper


Voorjaar 2009

Het stond vanmorgen heel groot in de krant:
’t lente, en het wordt wel 20 graden!
Ik dacht: dan ga ik lekker naar het strand
en dan ga ik pootjebaden.

Maar ja, de kust…dat kost wel anderhalf uur
voor je in Zandvoort bent beland,
en ’t is ook slecht voor de natuur.
En ik hou ook eigenlijk niet van zand…

Waar kun je hier dus in de buurt
in ’t zonnetje een tukkie doen,
zonder dat je wordt bekeken en begluurd?
Het Vogeleiland, in ’t plantsoen!

Het is daar één ontluikend groen
één groot theater van gesnater,
want ja, wat moet je anders doen,
zo’n hele dag alleen in ’t water?

Hoewel, alléén? – ze zijn bepaald niet in hun eentje,
d’r spettert en poedelt hier van alles rond;
vooral die zwanen: wee je gebeente
als je er zo-een te na komt, da’s niet gezond!

Het zijn op zich wel fraaie beesten,
die lange hals, dat ranke lijf,
maar ze houden duidelijk niet van feesten,
daarvoor zijn ze net weer iets te stijf.

Ze voelen zich als… als een vis in ’t water,
maar heb je ze wel eens in de vlucht gezien?
Het zijn wél show-jongens, dát is theater!
Zo’n zwaan is een volmaakte vliegmachien.

Om te stijgen is hij zelf zijn grootste hindernis.
Hij worstelt met het water als een horde-
loper, jaloers dat hij dan éven geen vlinder is.
Maar eenmaal los, gáát hij als een Concorde.

Het landen daarentegen vormt geen hobbel,
daar komt geen verkeerstoren aan te pas,
hij loert gewoon vanuit die zwanenknobbel,
en voílà: meneer is weer heer en meester van de plas!

Kortom: dat denk ik dan, als ’t lente wordt.
En wat dacht u van de ooievaar?
Maar daarvoor is onze tijd te kort,
want we moeten ook nog even naar de Adelaar!

U weet dat Deventer de stad van de adelaar is;
elf eeuwen lang stond hij trots in ons wapen.
Maar het huidige logo toont vlees noch vis,
als je dat ziet, ga je vanzelf gapen.

Adelaar: Karel de Grote, dames en heren,
hoog op de poten, vlerken en veren,
een vogel met kloten, daar valt van te leren!
Zo’n vogel – en dan zo’n logo: da’s appels en peren.

O adelaar, waarheen uw vlucht,
Nu ge uit het stadswapen zijt verbannen…
We zetten ons in tranen neder, en een diepe zucht,
en we moeten ons maar eventjes vermannen.

Want u begrijpt: als ’t voorjaar is,
dan vliegt er van alles door mijn kop,
van vogelvlucht tot kommernis.
Maar dat logo is papier, en dat raakt vanzelf op.
.

Jos Paardekooper


Mit Musik durch ’s Leben

Het was nog donker toen ik op een vroege morgen,
dit voorjaar, werd gewekt door een ijl, hemels gezang.
Een merel viel in, en boven de daken kleurde de hemel
langzaam doorschijnend rood.

‘Die zit’, verklaarde later buurman P. met trots,
‘bij ons op het koor’ – zijn ogen werden vochtig –
‘je staat er mee op, en je gaat er mee naar bed.’

En inderdaad, toen ik mij na een welbestede dag
te ruste begaf, speelde de melodie van die ochtend
nog door mijn hoofd. Het is gehoord, dacht ik,
het is niet onopgemerkt gebleven.

Jos Paardekooper

Gedicht ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan van het Bouwkundekoor.


Net echt

Hochgeehrtes Publikum!

Neemt u toch plaats,
en laat u verontrusten.
Aanstonds brengen wij u
hoge kunsten en lage lusten.
Komt u maar – u was wat later?
Herzlich willkommen in ons
lebendiges Theater!
Ik garandeer u klatergoud
en schone schijn,
volop hoop, en na afloop
goedkope zure wijn.

Ken uw plaats, speel mee:
het stuk kent drie bedrijven,
en als mijn gevoel mij niet bedriegt:
het beklijft als de liefde –
die Liebe dauert
oder dauert nicht.

Vreest u vooral voor het verloop:
angst is de kiemcel van de hoop.
Banken gaan vallen, en besturen;
het spel is zoet, dus het kan bezuren.
Misschien wordt alles opgedoekt.
Maar ja, u had toch zelf geboekt?

En schijnt het kunststuk u té echt,
bedenk dan maar: es war nur Brecht.

Jos Paardekooper

gedicht ter gelegenheid van het tweede Deventer Bertolt Brecht Festival van 20 t/m 25 februari 2009


Van slag

Een vol jaar rust op het Kerkhof
de demper van de stilte:
de beiaard zwijgt in alle tonen,
de toren houdt zich van den domme.

Een schraal jaar glijdt geluidloos voorbij,
de buurt kent uur noch duur.

Alleen het monotone gedreun van de snelweg,
de borrelpraat van de luifelrokers
en het gelal van onruststokers
zullen de nachtrust dan nog verstoren.

En overdag schetteren vanaf de transen
de vrolijke klanken van de arbeidsvitaminen
boven het geluid van de restauratiemachine;
volgend jaar pas zullen die weer verstommen.

Dan is alles weer als tevoren
en wordt er weer geluid vanuit de toren.

Jos Paardekooper


Blik vooruit

Alweer een jaar vergleden
in de nevel van de eeuwigheid;
alleen de Top-tweeduizend dreunt nog na
door friendly fire begeleid.
Als morgen de laatste scherven zijn geraapt,
de brievenbussen weer ontsloten,
het oude frituurvet bijeengeschraapt,
dan staat de beschaving weer recht op zijn poten.

We vervolgen onze weg, tussen hoop en vrees:
de geest van gisteren is wel ter ziele,
maar nimmer is de toekomst zo schimmig geweest.
Toch – voor we ons grimmig weer voegen in de file
en door de bewasemde voorruit proberen te blikken,
verwijlen we éven dan bij onze status:
het lot, waar we zelf toch niet over beschikken.
Maar bezinning en hoop zijn allebei gratis.

Jos Paardekooper, Deventer, 1 januari 2009


Soloklaas

– Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan.
– Daarachter een vluchtboot, met zwarten belaên;
zo’n boot allochtonen, dat is slavernij.
– Welnee, dat zijn Pieten, hoe kom je d’r bij!

– Die blanke meneer met die baard speelt de baas,
En die zwarten daarachter… – Ja, dat is hun plaats.
– Nee, da’s discriminatie, precies wat je zegt:
de witte is goed, en de zwarte is slecht.

– Ach kom nou, die hele vertoning is spel,
en onder Piets grime zit gewoon een wit vel.
– “Al ben ik zo zwart als roet, ’k meen het tóch goed” –
het zal je gezegd zijn, met jouw witte toet!

Nog erger: wie wordt zelfs van diefstal beticht?
– Zijn hart is zo wit als het zwart zijns gezicht.
Een winkeldief, Piet? Hij geeft alles cadeau!
– Heus, ’t staat in de krant: “Zwarte Piet steelt de show”.

En zo, lieve kinders, verschijnt Sinterklaas
In 2009 zonder Pieten, helaas.
Precies als de kerstman, of in ’t voorjaar die haas.
Die trouwens het veld ruimt voor witte alpaca’s.

Jos Paardekooper

Zwarte Piet ligt onder vuur – goede raad is duur.  Nog even, dan verdwijnt zelfs Sinterklaas, en wordt die vreselijke Santaclaus de baas…Het is des stadsdichters bescheiden taak u te berichten over deze zaak. Nu is ’t nog spel, straks wordt het echt. Bedenk dan wel: het wás gezegd.


Deventer Lijfstijlstad

Op de wijze van ‘De voetbalmatch’ (Louis Davids)

De burgemeester hep me zondag uitgenojigd
Voor een lijfstijltochie dwars door de Boreel
Ik dacht eerst nog:  ‘Aan mijn lijf geen polonaise’,
En in stijl nog wel, dat leek me toch wat veel…
Maar toen hep-ie de bedoeling uitgelegen,
Want het is voor de promosie van de stad.
Dus die vijfentwintig miel die dat gaat kosten
Da’s een schijntje, want zoiets kost altijd wat.

‘Kijk’, zei Andries, ’t gaat hier wezenlijk om de toekomst.’
En dat die komen gaat, staat vast, dat is een feit.
En hoe ken je nou je toekomst beter borgen
Als met lijfstijl in je stadsidentiteit?
Dat gedoe met al dat Dickens en die boeken
En die steltlopers is hopeloos verjaard.
Maar met lijfstijl leggen we straks op kop-positie,
En het zet Deventer nadrukkelijk op de kaart.

Ondertussen was de Boreel in zicht gekommen
Ik dacht eerst nog: ik geloof niet wat ik zie.
‘Ja’, zei Andries, ‘dit is ’t visitekaartje
van de lijfstijl van meneer Jan des Bouvrie.’
Als ’t an hem legt, wordt heel Deventer één kazerne
En de binnenstad één grote mediamarkt
Met om alle winkels van die houten schotten
Want de stad is nou te netjes angeharkt.

Na een kwartiertje was ik helemaal overdonderd
Ik zeg: ‘Hopelijk wordt die lijfstijl dominant!’
‘Oh’, zei Andries, ‘jongen, maak je maar geen zorgen,
dat gaat lukken hoor, ’t komt morgen in de krant.’
Maar toen ik thuis kwam keek ik toch nog ’s naar buiten,
Want zo meteen is al het moois in ene plat.
Dan is Deventer deskundig naar de kluiten
Maar zijn we wel fijn Hollands eerste Lijfstijlstad.

Jos Paardekooper

De stadsdichter greep ogenblikkelijk naar de pen, toen hij een bericht in De Stentor van 13 oktober 2008 las (‘Deventer mikt op positie als lifestylestad’). Daarin wordt melding gemaakt van het feit dat het College van B en W een startsubsidie van 25.000 euro heeft toegekend aan Saxion Next en de Stichting Stadsmarketing om ‘een verkenning uit te voeren naar de positionering van Deventer als lifestylestad’. In dat artikel wordt ook gemeld dat ‘de nog geheel op te knappen kazerne van het Boreelcomplex een lifestyle-achtige invulling krijgt’, en het eindigt met de onheilspellende zin: ‘Het is de vraag of lifestyle dominant moet zijn of iets dat nog verder ontwikkeld moet worden.’