Gedichten


Eurydice

Vaarwel zei je

ik heb me vergist
terwijl je wist
dat dat niet kon,

want alles
loopt en staat en valt
met jou, met jou alleen
alles bij de gratie
van een vrouw, van jou,
van jou alleen:
waar moet ik heen?
Doe wel, zeg je,
en zie niet om:

je hebt je vergist
terwijl ik wist
dat dat niet kon,

terug naar af.

Jos Paardekooper,

Gedicht (cadeautje in versvorm) bij gelegenheid van de derde nationale leesbevorderingscampagne ‘Nederland Leest’ (17 oktober t/m 14 november 2008).


Stilstand of dynamiek

Kijk, wat we hier zien
voor we verdwijnen,
passanten als we zijn:
een berg, een brug, een brink,
een haven, nu verlaten,
vestingresten, mettertijd
geneigd tot eeuwigheid.

Zie de stad: een duizendjarige
twijg in een eik gevat.

Willen we blijven,
dan moeten we blijven
kijken naar de twijg
en niet wijken
voor onze tijd.

Het beeld van de twijg en de eik is, evenals trouwens de titel van
het gedicht, ontleend aan Eloi Koremans pamflet Een twijg van
duizend jaar, Handleiding voor het gebruik van de oude stadskern,
uitgegeven bij De Geus, Breda (2008), en gedrukt bij Hooiberg
Salland te Deventer.


De zin van het lezen

Als je alle woorden die er
op alle bladzijden
van alle boeken
op alle afbeeldingen
van oude mensen
en van nieuwe mensen
die zitten te lezen
wel niet staan
achter elkaar zou zetten
wat kreeg je dan
niet allemachtig
veel zin.


Dat was het dan

Dat was nog eens een kouwe kermis
En heter ook dan ooit tevoren
Voorwaar, geen klusje meer voor Hermes
En zelfs geen doofpot meer om in te smoren.
Nooit was het spookhuis zo geliefd
Teisterde zoveel wanklank onze oren
En werd de kop van jut zó vaak gekliefd
Riep men om Raad, maar was verloren.

Beleven – o ja, belevenis te over
En ook de stemming zat er lekker in
Liever de lucht in dan overstag
Al was het reuzenrad ditmaal wat pover
Nam men genoegen met een suikerspin…
Genoeg gekermd: weer aan de slag!

Jos Paardekooper


Vers water (een watervers)

Veel Deventer bouwsels zijn ouder
dan deze toren van J. Mulock Houwer,
zonder welke we nog zouden lijden
onder voorvaderlijke harpijen.
Maar sinds zijn verscholen bestaan
komt het water ginds schoon uit de kraan.
Zo is ons leven – ieder mag het horen –
torenhoog schoner dan immer tevoren.

Homo sapiens, aqua vitens.

Jos Paardekooper

Tijdens de ‘Deventer Dag van het Park’ (zondag 25 mei 2008) werd het initiatief om te komen tot een ‘gedichtenpad’ in het Nieuwe Plantsoen aan de openbaarheid prijsgegeven. Langs dat gedichtenpad zullen t.z.t. gedichten van Deventer stadsdichters worden geplaatst. Bij gelegenheid van dit initiatief las  de huidige stadsdichter dit gedicht voor over de in het Nieuwe Plantsoen gelegen watertoren.
Deze toren was ontworpen door de toenmalige stadsarchitect J.A. Mulock Houwer, en werd in 1893 op de Klinkenbelt, een buiten de stad gelegen terrein, gebouwd en in dienst genomen. Aanvankelijk stond de watertoren overigens niet zo verscholen, want pas in 1914 werd het Nieuwe Plantsoen aangelegd, een ontwerp van parkarchitect L.A. Springer. Daarna duurde het nog enige tientallen jaren voordat de 50 m hoge toren vanuit de stad grotendeels aan het zicht onttrokken was.


Een gedenkwaardige dag

Er was al heel vroeg de belofte van een buitengewone dag;
al bij het ochtendgloren kwamen er duiven in het geweer.
Heel die morgen viel er uit de hemel
geen neerslag van betekenis; de bezetting
van de terrassen kwam langzaam op gang.
Intussen woedde, vrijwel ongehoord, de oorlog
tussen de supermarkten onverminderd voort.

Tegen de middag
verschenen er vliegtuigjes,
die ronkten in de lucht
en klommen en doken
als vogels in de vlucht.

Ruim voor de avondklok was de hele stad veroverd
door een leger van dagjesmensen.
Er werden veel plaatjes geschoten,
om de tijd te doden,
maar ook voor het nageslacht.
Niemand dacht nog aan de nacht.

Jos Paardekooper


Ode aan De Hoven

Het is maar een steenworp afstand
van de Welle naar de Worp;
welkom in een ander land —
dit is De Hoven, dit is ons dorp.

De straten koesteren hun bloemennamen,
poezen doezelen loom
en kijken vanachter een keukenraam
collega-katten uit de boom.

Wie haast heeft, suize hier voorbij:
vaart wordt er in de kiem gesmoord
en wordt gezien als hovaardij;
vaart is wat op ’t water hoort.

De Lebuinustoren slaat zijn slag,
de galm wordt over de IJssel aangevoerd.
De tijd verglijdt hier met de dag
en laat de wijk onaangeroerd.

Jos Paardekooper

Ter gelegenheid van tien jaar ‘Wijkopbouw De Hoven’


Boekenweekgedichten

Aan de vooravond van de Deventer Boekenweek 2008 is de stadsdichter zwaargewond geraakt: zijn dichtader is opengesprongen. Hierbij een klein deel van het resultaat daarvan.

1. Boekenweek

De echte lezer
wil het liefst
een week vakantie
boeken.

2. De goede week

Van dit gedicht bestaan twee versies: een atheistische en
een katholieke versie.

De goede week (ath.)

De Goede Week
is de goede week
om te peinzen.

Elke week is
de goede week
om te peinzen.

De Goede Week (kath.)

De Goede Week
is de goede week
om te peinzen.

Elke week is
de goede week
om te peinzen:

de goede week
om te peinzen
is de Goede Week.

3. Verleren dat lees je zelden maar lezen dat verleer je nooit

Verleren,
dat lees je zelden..

maar lezen,
dat verleer je nooit.

4. Ongehoord,
of: De Rampzalige Gevolgen van het Nieuwe Leren

Geef mij een klas
met honderd leerlingen
en na een kwartaal
dichten er drie
van
zoals ik
en
(je moet tenslotte niet alles
tegelijk willen)
zevenennegentig als
J. Bernlef —

schrijft Gerrit Komrij.

Had ik toch onderlaatst
een klas
met wel honderd
en enige leerlingen
die zelfs nog nooit
hadden gehoord
van
Gerrit Komrij.

Het citaat van Gerrit Komrij is te vinden in zijn dichtbundel Tutti-Frutti uit 1972.

Jos Paardekooper


Kerstnacht

Een moeder die een kind ter wereld bracht,
een ster die wijzen leidde door de nacht;
de jonge vader staat wat half verloren
bij de geboorte die hij niet had verwacht.

Een paar herders staan er wat schaapachtig bij
en voegen zich onwennig in de rei
met een lam, dat is uitverkoren
in plaats van reukwaar, goud of specerij.

‘Hier is de wijsheid ongeacht:
hier geldt geen adel, staat noch pracht.
Al wie door ootmoed wordt herboren
is van het hemelse geslacht.’

Jos Paardekooper
De slotstrofe is ontleend aan de ‘Rei van edelingen’ uit het tweede bedrijf van Vondels Gysbrecht.


De enige echte!

Sinterklaas – hij is er weer!
Op zijn paard,
met zijn baard
en zijn rode tabberd aan
ziet hij aan de Kapjeswelle
duizend lieve kinderen staan.

Al zijn pieten brengt hij mee,
peperkoek
voor ’t bezoek
iedereen die juicht hoezee
als hij met zijn eigen stoomboot
aankomt over verre zee.

En wel juist op zijn verjaardag!
Nou, dat vindt
ieder kind
dubbel aardig van de Sint.
Daarom wordt hij in de Koekstad
nog het allermeest bemind.


Archeoloog

Liefst liet hij zichzelf begraven
in zijn ondergrondelijk bedrijf,
zich tot op het bot verrassen
door die verkoolde potscherf,
of dat verkoolde lijk.

Zijn kosmos is in kannen en kruiken,
met breukvlakken en beerputten bezaaid;
heel zijn leven ligt in scherven ─
hij zou niet anders kunnen,
niets anders willen erven.

Jos Paardekooper

Gedicht bij gelegenheid van het landelijke archeologencongres, dat op 8 en 9 november 2007 in de Deventer Schouwburg werd gehouden.


Verdwenen chemie

De ene keer komt een gedicht in een half uurtje tot stand, een andere keer wil het in geen weken lukken. Voor de presentatie van de eerste Deventer thriller, getiteld Verdwenen chemie, van Almar Otten, donderdag 27 september bij boekhandel Praamstra, wilde ik een gedicht schrijven waarin de naam van de auteur voorkwam, ‘teneinde die te vereeuwigen’. Maar ik kon steeds maar niet op zijn naam komen, noch op de titel van dat boek, ongetwijfeld als gevolg van een chemische stoornis in mijn hersenen. Vandaar dat ik het gedicht maar ‘Verdwenen chemie’ heb genoemd.

Verdwenen chemie

Zijn naam spookt almaar door mijn hoofd,
maar mijn geheugen laat zich steeds bedotten;
is het de drank die mij weer heeft verdoofd,
of laat ik mij door angst en vrees beknotten?
Ben ik soms bang dat hier mijn schedel wordt gekloofd,
of dat er plots gebeukt wordt op mijn botten?

Ach nee, ’t maar een boek, tenslotte.
Jawel, maar ook met kunst valt niet te spotten
en zeker niet als er complotten
en een vuistvol afgeknotte
stenguns in het spel zijn, tot de
politie dan maar een prijs heeft uitgeloofd
voor wie de schrijver weet te spotten…

Ik raak nu écht van mijn verstand beroofd;
hoe héét ie nou? ’t Is van de zotte!
Hij had me nog een exemplaar beloofd…
Ach, ’t kan me eigenlijk ook niks verrotten.

Jos Paardekooper


Plaats delict: Praamstra Deventer

Na het debacle met het gedicht waarin ik maar niet op de naam van de Deventer thrillerauteur Almar Otten kon komen, wilde ik mij revancheren. In het volgende gedicht heb ik geprobeerd me in te leven in het verwrongen brein van een misdaadauteur. De thrillerschijver spreekt:

Plaats delict: Praamstra Deventer

Ik ben een gotspe in ’t diepst van mijn gedachten
waar ’t woelt en spookt van moorden en verkrachten:
mijn bovenkamer is mijn ‘plaats delict’.

Toch raakt de buitenwereld niet verschrikt,
geen Sherlock die naar mij behoeft te zoeken:
ik roof en moord slechts in mijn boeken.

Mijn leeslust is daarvan de oorzaak;
vandaag en hier is dan de doorbraak.
Conclusie: Praamstra is een moordzaak.

Jos Paardekooper, september 2007

voorgedragen tijdens de presentatie van de eerste Deventer thriller Verdwenen chemie van Almar Otten, in boekhandel Praamstra te Deventer, op donderdagavond 27 september 2007.


Huzaren en Titanen

In Wien en in Venedig bezongen zij elkaar,
zij gravin Mariza, hij was een huzaar.
‘Als ik toch eens rijk was’, droomde hij dan maar,
en zij wás rijk, en weduwe, dankzij Franz Léhar.

Als om middernacht het sprookje uit was
reden ze terug naar huis,
hernamen dan hun daagse plaats
aan bureau of aan fornuis.

Ze hebben elk een lief gezin
dat ze niet zouden kunnen missen,
zo min als de betovering
van grime, decors, applaus, coulissen.

Ze zullen zingen tot hun laatste snik,
doen als het moet een dodendans
aan boord van een onzinkbaar schip.
Het doek gaat op; dan komt de trance.

Jos Paardekooper

gedicht ter gelegenheid van het gouden jubileum van de
Musical- en Operettevereniging Deventer (M.O.D.)


Ik probeer mijn pen

Ik probeer mijn pen

een dankdicht voor collega-dichters in gemeentedienst
Lenze L. Brouwers, Michel Martinus en Hanz Mirck

Wat deed de dichter?
Hij scherpte zijn pen
onverveerd
zonder Word, op eigen kracht
bracht hij de woorden bij elkaar
met eigen handen hoofd en hart.

Wat doen de broeder-dichter?
Zij strijken pluimen
veerkrachtig
steken ze veren in des dichters gat
vanaf hun eigen dichtertronen
vanuit hun eigen zusterstad
(behalve broeder Hanz,
die in geen Hanzestad wil wonen).

Wat doet de dichter?
Hij veert op
hij wikt zijn woorden
hij weegt zijn waarden:
De stad bouwt voort
de dichter houdt woord.

Jos Paardekooper


Boekenschat

Schweigt stille,
plaudert nicht:
hier wordt gewerkt!

Hard gewerkt
zacht gewerkt
achter de schermen
vensters op de wereld
blikken op oneindig.

All the world’s a window,
and all you need is
een wachtwoord.

Jij, mijn boekenschat,
hebben alle zoekers hier
nota’s begonnen
behalve ik en jij:
waar wachten wij nog op?

Jos Paardekooper

gedicht gemaakt ter gelegenheid van de heropening, op woensdag 26 september 2007, van de Athenaeumbibliotheek in het gebouw van de Saxion Hogeschool aan de Handelskade te Deventer.


Canto ostinato inspirato * (litanie romeo-latino)

A     O
Alpha Omega

canto comica
canto cantata
cantica nato
canto tina nato
canto ostinato
canto tosti nostra

Canto giusto
canto augusto
canto illustro
canto si cano
canto piano
cantico no?
cantico si!
cantico Sibiu
cantico virilo

Cantico Romeo
Cantico Julia
cantico Thalia
musica antiqua
cantico antico
cantico no?
cantico si!
cantico Sibiu

Cantico forte
forte piano
canto piano
piano si forte
canto si forte
canto sinatra
canto donata
canto illustrata
canto Nicoleta
canto Rigoletto
canto idolato
cantico si
cantico no
cantico nato
canto ostinato

Alpha Omega
A     O

Jos Paardekooper, Sibiu, 16 augustus 2007

* Van 10 tot en met 20 augustus 2007 maakte Sibiu (Roemenië), de culturele hoofdstad van Europa in dat jaar, kennis met een gezelschap van ongeveer zestig (merendeels) jongeren uit haar partnergemeente Deventer, in het kader van het project ‘Young in Europe / Tanar in Europa’. Op 16 augustus werd in de openlucht, naast de bibliotheek Thalia, onder een strakblauwe hemel tweemaal Canto ostinato van Simeon ten Holt uitgevoerd, een minimaal anderhalf uur durende compositie voor vier piano’s.
    Jos Paardekooper, die hierbij toehoorder was, liet zich tijdens en door deze uitvoeringen inspireren tot bovenstaand gedicht, waarin op een tamelijk doorzichtige wijze de naam van een van de organisatoren is verwerkt. In haar dankt hij alle organisatoren van deze culturele reis.


Zelfinterview met de stadsdichter

Hoe voelt het nou om een B.D.’er te zijn?
Wilt u het antwoord gewóón, of op rijm?

Nou, als het rijmt staat het wél professioneel…
Oei, wat rijmt dáárop, nou vraagt u wel veel!

U bent nu ineens wel bekend in de stad?
Nou, ik woon hier al jaren, maar ik leer wekelijks nog wat.

Wordt u op straat nu ook als dichter herkend?
Iemand zei gisteren: ‘Dag meneer Kopland’ ─ maar ’t went.

Heeft u altijd al gedichten geschreven?
Behalve de eerste vijf jaar van mijn leven.

Rookt u bij het schrijven in ’t klad of in ’t net?
Da’s gek, maar daar heb ik nog nooit op gelet.

Hoe lang doet u nou over een woord, of een strofe?
De woorden gaan sneller, dat zult u geloven.

En komen er ’s nachts ook gedichten naar boven?
U mag blijven logeren, maar ‘k kan u niks beloven.

Denkt u bij ’t dichten aan een muis of een weekdier?
Geen van beide, en ook niet aan Vondel of Shakespeare.

Begint u met woorden, of is er eerst klank?
Om eerlijk te zijn: allereerst is er drank.

Aha! dus u schrijft zogezegd in een roes?
Nee, in een stoel, of op bed of onder de douche.

Tot slot dan:
hoe werkt dat nou eigenlijk, ‘het creatieve proces’?
Ach creatief, creatief, dat is maar geklets.
Ik ga d’r voor zitten of ik ga d’r bij staan,
en soms ga ik liggen en dan komt het eraan.
Zorg wel voor een onderwerp dat je goed ligt,
en stel je ervoor open: dan komt het dicht.

Dan dank ik u hartelijk voor dit gesprek.
Geen dank, maar mag ik vragen: vindt u mij nou gek?

Jos Paardekooper


Una giornata particolare (een uitgelezen dag)

ontwerp voor een filmscenario

De dag loopt af
de stad loopt leeg
de terrassen lopen vol
de tassen puilen uit.

Een papier waait op
het verkeer zwelt aan
een motor raast voorbij
de vuilnisploeg komt voor.

Mossellucht drijft langs
de ober komt zo bij je
de bestelling komt door
een glas valt om.

De stemming stijgt
het kwik daalt
de zon gaat onder
de camera zoomt
uit.

Jos Paardekooper


Samenspel

Bespeel ons, o Muze, de schoonst’ aller banen:
die van Deventer Dichter, en laat ons beramen
hoe wij ons wapenen tegen de wanen
waarmee wij ons willens en wetens omvamen.

Als de stad staat op stelten,
als de Adelaars spelen,
als de spreekkoren klinken
uit dorstige kelen,
als de burgerwacht waakt
aan de Deventer poort;
nu nog een snaak
die dit alles verwoordt.

Zend ons dus, Muze, een dichter, een bouwer,
een lettergreepvoeger, een rijmmetselaar,
een signalenontvanger, een gedachtenontvouwer;
U doet het voorspel, wij staan klaar.

Jos Paardekooper