Gedichten


Outlet

bij het openen van de zoveelste outlet in de Lange Bisschopstraat

de stad laat uit

de winkelsterfte

neemt bezit

van stille straten

niets schijnt te willen baten

tegen de grootschalige tijd

het stedelijk bezit

verschraalt, verslijt

de eenling delft

het onderspit

er lijkt geen hoop

de binnenstad

houdt opheffings-

uitverkoop

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 23 april 2015


Sumus Umbra

Ik ben ongrijpbaar, een passant, een verschijning,
een wind die langs de einder jaagt,
een mist die mij het zicht ontneemt,
een droom die mij in leven houdt,
een nevel die mij als een kleed omhult,
adem die mij eens ontnomen wordt,
schemer die over alles valt
en toch niets te vertellen heeft –
ik ben een schaduw.

Wat ik ook ben is een bak met blubber,
een berg van bagger, een afvalput
vol vuile grond, een woestijn van modder.
een onafzienbare hoeveelheid prut –
ik ben een bak met drek.

Hijgend duw ik de massa voort
naar zijn bestemming
die weinig zal verschillen van de mijne.
Ik ben gezwoeg, geploeter,
geknoei en troosteloos gedoe,
tegen alle waarschijnlijkheden in.

O, onpeilbaarheid van tegendelen –-
waarvandaan valt nog te raden,
waarnaartoe blijft diep geheim,
gezegend zij uw naam.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer 5 april 2015


Tijdsbesef

wanneer verleden, heden en toekomst door elkaar lopen…..

Ik schuifel langs de maatlat van de tijd
en hoop te weten hoe ik de toekomst zag
toen die alreeds in mijn verleden lag
en als een spijkerbedje was gespreid.

Die toekomst heeft mij grondig voorbereid
op wat mij overkwam van dag tot dag
nadat ik mijn ouderdom, waar ik nu om lach,
had ingeruild voor jeugd, de ernst gewijd.

Herinnering die in eigen staartstuk bijt
roept om herstel van hogerhands gezag.
Ik doe van deze strijd getrouw verslag
opdat oogst van gister op heden’s grond gedijt.

Ik klamp mij vast aan al wat eens verglijdt
en ween om wat nog komen moet.
“Vaarwel”,  zo luidt mijn welkomstgroet –-
Het verleden van de toekomst komt op tijd.

Ik verzet de wijzers, alle tijd ten spijt,
en leg op het broos restant beslag.
Wat komt maakt van het voorgaande gewag –-
O, toekomst, wat sta ik bij u in het krijt!

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 1 april 2015


Op de Groentenhandel van de familie Li op de zaterdagmarkt op de Brink

Wekelijks herbergt mij de kraam
die beginkraam en ook eindkraam is
en pleisterkraam en ankerkraam,
een hunker- en ook bunkerkraam
een voorraadkraam, een kleuren- en geurenkraam
een nadenkkraam en tevens vergeetkraam
een ontdekkingskraam en kraam van de toegift,
van het telraam en van de vaste vraag,
van aandrang en van hoop,
de kraam van vertrouwen en gewoonte
de kraam van dankbaarheid, tevredenheid en voldoening –-
de kraam der kramen –-
wie zal het niet beamen?

waar anders de spinazie en de kiwi
waar anders de broccoli en de andijvie
waar anders de peterselie, de koolrabi en de salie
waar anders zoveel kennis, warmte, humor, huiselijkheid,
waar anders zoveel vriendschap die het hart verblijdt,
op deze markt is er geen evenknie –-
waar anders ga ik langs dan bij de familie Li?

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 19 maart 2015

Speciaal voorgedragen voor de familie Li op 29 maart in de School van Vrieswijk.

Eiland zonder wolf

De laatste kruimels zijn gestrooid,
de laatste veren glad gestreken,
vogels, van hun moederdier berooid,
worden nog eenmaal in hun mooiste tooi bekeken.

Gebenedijde wezens die niet denken hoeft!
die enkel, zwevend, zwemmend, zwervend, hoeft te zijn,
wij zijn u dankbaar dat u in ons midden toeft,
u bent in het grijs bestaan als fonkeling in de wijn.

Klink voort, getjilp, gezang, gekweel, gegak,
de spreektaal van het vliegende gebroed;
andere handen stellen jullie voortaan op gemak;
de hand is anders, de liefde even goed.

Blijf trouw, herinner ons, de vleugellozen,
aan de veelvormigheid van het bestaan.
Aarde, water, lucht –- ach, hadden wij opnieuw gekozen,
dan stonden wij wellicht bij de gele voederbak vooraan.

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 15 februari 2015,

Bij het afscheid, na 23 jaar, van mevrouw (Ineke) Wolff als dierenverzorgster op het Vogeleiland
Nieuwe versie op het eerdere gedicht van februari, 24 maart voorgedragen voor mevrouw Wolff tijdens het Dichterscafé in het Paviljoen Vogeleiland.


Oude begraafplaats

Dit is het landschap van de respectabele dood,
van de dood die gezien wil worden in het gezelschap
van de wilde krokussen en de dubbele sneeuwklokjes,
als deel van een onstuitbaar bloemenschilderij.
Dit is het landschap van de onverwoestbare bomen,
grijs en kreunend onder hun ouderdom,
maar stuk voor stuk een uitdaging
voor de meedogenloze tijd – bomen,
die elk zo oud zijn als de oudste dromen van wie hier rust.
Dit is het land van de stilte, niet zozeer van het graf,
maar van de wandelaar en de bezoeker wiens borstkas
aarzelt te bewegen en wiens voet twijfelt waar hij treden zal.
Het palet van bloemen behoudt het evenwicht
tussen dood en leven, dat het geheim is van ieder die hier doolt.

Hier zou men willen sterven, evengoed als leven.
Hier, in alle stilte, voelt men de diepe hartslag van de stad.
En ook, aan het einde van die lange laan, van zichzelve,
alsof men hier en nergens anders, een eeuwig leven had.
Hier, waar men bidt en zwijgt, vat men geredelijk nieuwe moed,
en voelt het leven onwaarschijnlijk groot en klaar en goed.

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 3 maart 2015


Naar aanleiding van een bezoek aan de Oude Begraafplaats aan de Diepenveenseweg te Deventer,
in gebruik tussen 1831 en 1918


Sonnet voor Europa 2015

Hier ligt het vanouds onblusbaar strijdtoneel,
de ontstekingsbron die keer op keer gaat woeden.
Hier huist de honger die geen dood kan voeden,
Hier eisen hebzucht, bloeddorst elk hun deel.

Is, na zoveel dood, genoeg te veel?
Na zoveel strijd, wie kan dit ooit bevroeden?
Kan niets dan nieuwe bloedstroom nog verhoeden?
Het mes staat telkendage op de keel.

Het jongensbed was vaak van angst doortrokken,
de vijand loerde op straat en in de lucht.
Ik vrees dat vrees het leeuwenhart deed stokken,

maar ik stelde mij in eigen geest te weer,
geknielde held, standvastig op de vlucht.
Maar ben ik bestand tegen een tweede keer?

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 3 maart 2015

Verklaring: oud genoeg om niet alleen de jaren van oorlog en bezetting te hebben meegemaakt, 

maar ook die van de aanloop tot de oorlog, toen Hitler zijn buurlanden successievelijk 
terroriseerde en in beslag nam, brengen de gebeurtenissen in Oost-Oekraïne bij 
mij een verontrustend gevoel van déjà-vu te weeg.


Les Neiges d’Aujourd’hui

Eens, ooit, ‘s anderendaags, lang, lang geleden,
viel de sneeuw in dichte pakken uit de hemel,
verstikte de staalblauwe wateren,
de oranjegestippelde duinen, de boezemblanke velden,
en scheidde voorgoed de eilanden van mijn bekommernis
van het vasteland van mijn verlangen en mijn hoop.

Die sneeuwvlokken zijn allang gesmolten,
de wateren ontdooid, de verbindingen hersteld,
de geulen uitgebaggerd en de hemelen geklaard.
Maar de aardschollen zijn verschoven,
de tectoniek bleek onomkeerbaar,
de sterren stonden anders dan voorheen.

Verse poedersneeuw kraakt thans vriendelijk
onder mijn tastende voet, smelt in mijn warme hand.
Een aardlaag van vertrouwen heeft zich onopvallend
in het golvend dwarspatroon gevoegd.
Wat het al beduidt, zal ik in uw spoor wel merken.
De nieuwe sneeuw ligt losjes in door u bepaalde perken.

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 3 maart 2015

N.a.v. het thema voor het Dichterscafé van februari 2015: ‘Où sont les neiges d’antan’ (François Villon).


Codebericht

Over de immense oceanen aangestormd,
uitgezonden op onderzoek en speurtocht,
met beslissende rapportage belast en met
het doorschouwen van de laatste mogelijkheden,
gespitst op al dat zou kunnen wijzen
op zelfs de geringste tekenen
van genezing, inzicht en berouw,
noteert de grote vogel, neergestreken
voor het voorzichtig geopend luik,
dat het gedichtsel van gedachten
in de harten van de mensen
onverminderd boos is en dat de aarde,
en allen die daartoe behoren,
met wrevel is vervuld als nooit te voren.

Ik sluit het luik en zet mij tot het schrijven,
in het langzaam falend avondlicht,
van het ter zake dienende bericht.

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 15 februari 2015



N.a.v. het bericht dat een zeearend is gesignaleerd in de wateren nabij  Deventer


De mannen van Porfier

Ik reikte hen al vroeg de hand
ter weerszij van de ingang van de donkere kathedraal.
Wij stonden op gelijk niveau en zagen oog in oog.
Hun brede zwaarden waren kennelijk voor de sier,
hun broederlijk gebaar stelde mij gerust,
mijn bloedrode vrienden van het gestolde vuur.

Zij reikten achter zich, æonen ver –-
hoe overbrugden zij die tijd, voorbij de eens gespleten zee?
Even vormde ik deel van een onafzienbare rij,
als een seconde in een eeuw, als een golf
in de eindeloze deining van een onbekende bron.
Ik zag hen weer, en was terug waar het ooit begon
in tijd’s oneindige rivier, reisgenoot van de mannen van porfier.

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 15 februari 2015

Bij de ingang van de San Marco kathedraal in Venetië bevindt zich een beeld,
in rood porfier uitgehouwen en twee-aan-twee rondom een pilaar geplaatst,
van de zgn. Tetrarchen, het vierhoofdig keizerlijk bestuur van het Romeinse Rijk,
broederlijk bijeen, daterend uit het begin van de vierde eeuw n. Chr.
Later is het vanuit Klein-Azië naar Venetië overgebracht. De steen, afkomstig uit het gebied
van de Rode Zee, is veel ouder.
Toen ik Venetië in 1947 voor het eerst bezocht was ik onder de indruk van de schoonheid en
de ouderdom van dit beeld; bij hernieuwd bezoek zestig jaar later was ik dat wederom.


Op het MS. “ORANJE”, 24.377 ton

Te watergelaten in Amsterdam-Noord
in augustus 1939 en verbrand in juli 1979 in St. Thoma

Haar geboorte gemist,
haar levenstaak onvervuld,
haar einde niet geweten,
haar vaart nooit gezien
en nooit genoten,
haar model gestreeld
maar misvormd,
de mallen verontachtzaamd,
haar slagzij zien maken
in mijn badkuip,
haar laatste dienst: het vuur
in de barre winter van 1944/45 –-
hoe dierbaar kan een schip zijn,
hoe voorspellend een jongensdroom?

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer,  15 februari 2015

Toelichting:
In de zomer van 1939 werd een modelbouwwedstrijd uitgeschreven t.g.v. bouwvan het ms. “Oranje” door de Amsterdamse Droogdok Maatschappij, bestemd voor de Indiëvaart. Mijn neefje en ik namen daaraan deel, o.l.v.een leraar houtbewerking. Het bijzondere van dit schip was dat de romponder de waterlijn veel breder was dan daarboven, met als doel het tolgeld in het Suezkanaal te verlagen, daar dit alleen berekend werd naar het volume boven water.Het schip was dus allesbehalve slank. Dit beviel ons jongens niet en wij pastende vorm van het model aan onze smaak aan. Gevolg: bij de tewaterlating in de huiselijke badkuip sloeg het onmiddellijk om. Teleurgesteld besloten wij het modelwel in te zenden, maar de uitslag niet af te wachten.Wie schetst onze verbazing toen wij na terugkeer van vakantiebleken toch in de prijzen te zijn gevallen, en wel als jongste deelnemers. Maar inmiddelshad de tewaterlating, waarvoor wij waren uitgenodigd, reeds plaatsgevonden.Een gemiste kans. De ADM was echter wel zo vriendelijk ons een vervangendetewaterlating aan te bieden, van de “Tjitjalenka” van de Java-China-Pakketvaart Mij.


Zes fragmenten

Fragment nr.1
op de kortstondigheid

Wat ik in mijn hand hield had einde noch begin –
De vragen die ik stellen wou waren zonder hoop of zin –
Een knotje van bruin haar was het enige begin –
O, happy days, ik geloofde er ten diepste in –

De staart van het verhaal was schaapsgeblaat –
Ik nam al dat voorhanden was te baat –
Maar hoe vroeg ik kwam, ik kwam te laat –
Het huis was reeds gesloten, behalve waar het vuur doorlaat.

Fragment nr. 2

op de ontoereikendheid

Ik ben door u gevat in tweespalt –
ik ben door u verklaard in duisternis –
ik ben door u voorzien van het oneindige
en heb uw ademtochten één-voor-één geteld.

Ik heb u zien vertrekken bij hoog water –
Ik heb u onderlangs zien varen, radar aan –
Ik heb met u de kleine stroom beproefd
en ben met u op reis getogen door ‘t vers geoogste land.

In het leven zat ik zelden op de bok.
Ik kwam bij u te biecht tot ik vertrok.
Ik heb het hoog gespeeld en stapelde gok op gok.
De rook sloeg neer op ‘t offerblok.

Fragment nr. 3

op de onvolmaaktheid

Soms zijn de stemmen stimulans.
Ik zie de paren in hun rondedans
en vraag mij af hoe het al zal einden –
Mijn zon ontbeert de kracht van helder schijnen.

Gelaten worden schaars verlicht –
en mist tuurt door het beslagen raam.
Het brengt mij hetzelfde oud bericht,
dat liggen bleef op het zevende membraam.

Het toverwoord is nu verdampt,
de hekgolf dooft ten langen leste uit.
Ik ben geraakt, maar het schot heeft slechts geschampt –
Het vingerhoedskruid wees recht vooruit.

Fragment nr. 4

op de eenmaligheid

Die avond was ik met u alleen.
Ik zag u spiegelen in de ruit,
o Venus, felle star,
en op het geduldige papier.
En nooit ging een avond van mij heen
dat ik u niet ontving als een appelaar zijn fruit,
en, al was het leven koud en bar,
ik u niet bad: blijf hier, blijf hier!

Fragment nr. 5

op de ondoorzichtigheid


Dat brede raam – dat weids gezicht – dat ruisen van de beek –
hoe kon ik dat toch overleven?
De kachel snorde en, al was het maar even,
ik wist dat dit de eeuwigheid was die een seconde leek.
Er was een hand die door de haren streek
en mij als een riet deed beven.
Ik was geen partij meer voor dit leven,
en zag de mezen hinkepinken toen ik naar buiten keek.
Zij hadden niets te vrezen.

Fragment nr. 6

op de ogenschijnlijkheid

Gij hebt de lijn getrokken die ook de mijne is
en waarop ik mij thans vast zal leggen.
Het is, zover ik weet, een soort belijdenis,
die zich niet telkenmale laat herzeggen.
Maar ik houd mij aan uw grens en deel uw doel.

Uw kleuren vloeien uit naar waar ik het bloedigst voel.
Ik blijf naar de betekenis der woorden dreggen
totdat de vaart, hoe lang hij zij, ten einde is:
dan zal ik mijn hoofd in uw schoot te ruste leggen.

© Herman Posthumus Meyjes
Deventer,  15 februari 2015

Noot:
Het gedicht bevat twee verwijzingen naar verzen van Karel van de Woestijne:
“Ik ben met u alleen, o Venus, felle star” (uit de Modderen Man) en
“Gij toont mij hoe het linnen blinkt en hoe voor het venster hinkepinkt
(o huislijkheên) een meze” (uit God aan Zee).


Malevich

“I have destroyed the ring of the horizon
and escaped form the circle of things,

and things have disappeared like mist.”
K.M.

Ontredderd naar zijn wezen,
ontvleugeld naar zijn vorm,
ontmanteld naar zijn werking,
ontwapend naar zijn kracht,
ontdaan van al dat af kan leiden
van het ene essentiële,
zinkt het beeld als een peillood naar beneden,
zoekt het nadir van de verbeelding,
op weg naar het middelpunt der aarde
en naar de ware reden van zijn bestaan,
tot het ontsnapt aan de ring der dingen
en aan de zon en de horizon,
en in de koortsige zegetocht der mensen
EXPLODEERT.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 30 januari 2015

 

Opmerking:
Na het bezoek aan de tentoonstellingen in het Drents Museum te Assen
“Kazimir Malevich, de Jaren van Figuratie” en in het Stedelijk Museum te Amsterdam “Kazimir Malevich and the Russian Avant-Garde”


Plof! Of het relaas van een eindeloze metamorfose

Soms hoor ik weleens een doffe plof
en dan denk ik: ‘is dat hem nou,
de plof, de knal, de beving en de dreun,
de schok, de krach, de grote zucht,
waarmee alles om ons heen
ineen zal zijgen, wanneer vrijwilligers
hun werk neerleggen en zouden besluiten
morgen thuis te blijven
en niet langer te verrijzen
uit de stoel die hun alreeds
vermoeide leden ondersteunt?
Is dat hem nou?’
Maar neen, iets anders is geploft.
Ik hoor wel de stad die zucht en kreunt,
maar het is geklaag, gekerm, geween
uit anderen, meest boekhoudkundige hoofde.

Want in spin, de bocht gaat in,
en uit spuit, de bocht gaat uit,
en de vrijwilliger is er van ‘t einde tot ‘t begin,
of andersom, komt het zo uit.

Onderwijl verandert.
de stadsgids in de mantelzorger,
de sportveldlijnentrekker
in de eenzaamheidsbestrijder,
de wensvervuller in de vuilnisbuitenzetter,
en de kinderbegeleidster
in de klaar-over, de lees- en fietsdocent,
in de opvanger en ondersteuner van
daklozen en gestruikelden,
de boodschappendoener
in de klusjesman of –vrouw
waar de behoevende om vraagt,
de ruggenkrabber in de gezelligheidsleverancier,
de maatschappelijke stagist
in de lampenverwisselaar, de kokkin,
in de deler in rouw en vreugde –-
zij  allen zijn reeds onderweg,
ter vervulling van ‘t het beloofde,
èn vanwege die innerlijke drang
die hen naar buiten jaagt.

Want in spin, de bocht gaat in,
en uit spuit, de bocht gaat uit,
en de vrijwilliger is er van ‘t einde tot ‘t begin,
of andersom, komt het zo uit.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 27 november 2014

Opmerking:
Ter gelegenheid van de nationale vrijwilligersdag in de Deventer Schouwburg


Avondvogel

Met vastberaden slag
roeit d’ avondvogel voort,
of hij zojuist een onheilstijding heeft gehoord
of dat hij schaduwen van een sperwer zag.

Weer is een dag vervlogen.
De avondvogel zet koers naar ‘t dagelijkse nest.
Het is, zie ik het wel, de optie die ook mij nog rest.
Dezer dagen word ik door weinig anders meer bewogen.

Er klinkt een zacht gesuis
van deze laatste vlucht.
Het nest is leeg, de afstand is geducht.
Eenzame oude dag? Eenzaam was ook ‘t ouderlijke huis.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 13 november 2014


Uitziend over de IJssel in het avonduur


Allerheiligen, Allerzielen 2014

Ik zie de stoet die tot voorbij de einder reikt
op weg naar een doel dat geen van ons ooit zal bevroeden.
De vromen, schutspatronen, gaan voorop,
wier voorspraak, hopen wij, ons zal behoeden,
de richtingwijzenden wier blik ‘t oneindige bestrijkt,
de wichelaars die ‘t stenig pad verkennen
en die de mensen, heilig en onheilig, kennen.
Dan volgen de strompelaars die in het duister tasten,
de eigenaars van ‘t oud roest, door Achterberg genoemd, *)
bezitters van zekerheden die tot verdwijnen zijn gedoemd,
de eeuwige weifelaars die op de winkel passen.
Ik zie voorbijtrekken de sybarieten en asceten,
en allen die het in het leven immer beter weten,
Ik zie dichters, stenenbrekers, rolstoelers en atleten
en allen wier hoogst genot het is zich vol te vreten.
En dan de eindeloze rij van schimmen, de grens voorbij,
en achter zich het ruisen van de rivier de Lethe,
die de vergetelheid brengt waar de ziel naar smacht.

Bede

Voor de wijzen en de zieners: dat zij thans naar voren treden,
er wordt op hen gewacht.
Voor de levenden: dat zij geduld beoefenen en koesteren ‘s leven’s eindeloze pracht.
Voor de doden: de slaap der eeuwen zij hun eeuwig zacht.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 1 november 2014

*) zie zijn gedicht “Deïsme”

Opmerking:
Ter gelegenheid van de restauratie van het kerkhof aan de Diepenveenseweg


Kindergedicht

Parapluutje, waarom hang je toch zo hoog?
Nu maakt het niet veel uit, want ‘t is gelukkig droog,
Maar straks komt er een regenbui voorbij
en word ik nat, want ik kan er echt niet bij.

Ik spring en spring, maar grijp voortdurend naast het ding.
Steeds hoger ga ik tot ik hem bijna ving,
maar steeds net niet, net niet, tot mijn groot verdriet –
nu word ik nat als groenten in ‘t vergiet.

Toch spring ik door, nog eens, twee keer zo hoog.
Dan hoor ik wat de weerman zegt op de TV:
komende weken valt het weer geweldig mee –
‘t Blijft vast en zeker kurkedroog.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 2 oktober 2014

Opmerking:
Ter gelegenheid van de Kinderboekenweek 2014 en met het oog op de kleurrijke paraplu’s 
die hangen boven de binnenstad van Deventer

Ondergrond

De voetstap is de maat van alle dingen,
de peilstok van de straat en van de stad.
Die stille bron voedt de herinneringen
die wij beroeren op ons daaglijks pad.
Verborgen lijnen die opeens verspringen,
verscholen dromen die men destijds had,
zij hebben op ons, de tegenwoordelingen, vat.

Verborgen grachten, uitgewoonde hoeken,
stegen waar eens de sleperskar door wrong,
kaden waar stoere mannen handel zoeken
en men verwoed de laagste prijs bedong;
hier, de drukte van drukkers en van boeken,
hier, in kerk en sociëteit de rappe tong,
hier, waar de sirene van ‘t geluk het zuiverst zong.

Bewijzen volgen ons en gaan ons voor,
Wat gisteren oorzaak was is morgen slot.
Veel van het verleden gaat teloor,
maar ondervoets komt het opnieuw aan bod,
herneemt ‘t gezag van de eeuw daarvoor,
en wij, die treden in dit levend spoor,
buigen ‘t hoofd en sidderen van genot.

Al gravend, speurend verruimt zich het begrip.
De Onzichtbare Gracht staat bovenaan, met stip.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 13 september 2014

 

Opmerking:
Met dank aan Daaf Ledeboer, architectuurhistoricus
ter gelegenheid van Open Monumentendag 2014 en n.a.v. een historisch-archeologische
en bouwkundige verkenning van de binnenstad


Ademtocht der rivier (sonnet)

Het water was vannacht opeens gestegen;
de randen en de dammen zijn bedekt.
Uw woorden, eindelijk in klare taal ontdekt,
heb ik nu helder toegediend gekregen.

De boot heeft zich op het water uitgestrekt,
waarin uw leden zacht waren gelegen.
U was reeds aan mijn milde greep ontstegen
toen ‘t signaal weerklonk ten teken van vertrek.

De kleine golven speelden met de oever
langs d’ oude koers die hij ook nu weer voer.
De dagen gingen reeds aanzienlijk stroever

en regen zich aaneen tot eind’loos snoer.
Eens heb ‘k beproefd; nu was ik zelf beproefde.
Kapitein Nemo stond aan het diepteroer.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 18 augustus 2014


Vers gebakken

een zonneronde van gedichten –
wie zou niet voor de verleiding zwichten
aan de wieg daarvan te staan?

een dichter kent geen plichten
en hoeft geen arbeid te verrichten,
behalve die voor zon en maan.

de pottenbakker zal de klei verdichten
en zal u van geen kwaad betichten
zo lang de baksels niet te pletter slaan.

U las het in de stadsberichten:
kleuren zullen uw huis verlichten
als verse kommen van Chris en van Alied op tafel staan.

opnieuw zal ik het hoofd oprichten,
al moet ik daarvoor het heelal ontwrichten,
maar ik laat in vol vertrouwen mijn schaapjes gaan.

Herman Posthumus Meyjes
Deventer, 2 augustus 2014

Opmerking:
Ter herdenking van het feit dat het stadsdichterschap van Deventer mij een jaar geleden
ten deel viel en dat kunstenaar Chris Visser en schrijver Alied van der Meer hun poëtisch
beschreven aardewerk onder de titel ‘vers gebakken’ op de Grote Poot tentoonstelden