Robin Bleeker


Niet eerder

De aanblik van de lege winkelstraten
leidt even tot een lichte huivering.
De Brink nog leger dan Het Grote Kerkhof,
de stad nog stiller dan mijn wandeling.

Sporadisch zie ik enkele passanten,
elkaar ontwijkend in gestrekte pas,
bekenden die zich tot een knik beperken,
angstvallig weggedoken in hun jas.

Hoe troosteloos, hoe omineus dit straatbeeld,
maar hoe ontroerend tegelijkertijd,
want achter deze ijzige façade 
schuilt niet aflatende saamhorigheid.

Er wordt geredderd, in de bres gesprongen,
bedrijven bieden hulp op grote schaal,
artiesten steken harten onder riemen
en zoveel hartverwarmends gaat viraal.

Mijn pas vertraagt, heel even zie ik voor me
hoe er gevochten wordt en liefgehad,
de mensen in de zorg – ik val er stil van.
Inwendig stil, nog stiller dan de stad.

Waarop me invalt dat ik met de wereld,
de maatschappij – zo broos, zo goedbedoeld –
mij ondanks al die anderhalve meters
niet eerder zo verbonden heb gevoeld.

Naar aanleiding van de ingrijpende maatregelen om het coronavirus tegen te gaan.


Uit de contramine

Ter gelegenheid van de Boekenweek dus, met als thema ‘Rebellen en dwarsdenkers’


Dat ik bang was

Dit pand aan de Mr. H.F. de Boerlaan, dat trouwens een woonhuis is, heeft me al vaak als ik erlangs kwam aan het mijmeren gezet. Nu heeft het ook tot een gedicht geleid.

Dat ik bang was

Ik droomde dat ik bang was voor de dood,
lucide mij was ingevallen dat
al wat ik was weer eens werd afgesneden
van al waar ik in vastgeklonken zat.

Dat dat, en verder niets, de toekomst bood;
dat alles wachtte tot de noodklok sloeg
en hier en nu verstoven tot verleden,
voor eeuwig, en dat dat dus angst aanjoeg.

Geen meisjeslach, geen vergezicht, geen boom
waarin ik de voorzienigheid niet zag,
alsof ik iets verborgens had ontdekt.

Maar ik ontwaakte uit die boze droom
en een zoveelste eindeloze dag
lag doodgewoon weer voor me uitgestrekt.


Per definitie

In de grote zaal van de schouwburg – die tot de nok toe gevuld was met vrijwilligers – mocht ik dit lofdicht voordragen:

Per definitie

De stellende trap is vrijwillig,
vrijwilliger is de vergrotende.
Toch hoeven juist jullie niet steeds hogerop,
over hellende treden en sporten.

De ladder die wij als bezeten beklimmen,
steeds hoger en koste wat kost hoger nog,
wordt door jullie standvastig verstevigd, gestut.
Zonder jullie viel heel het ding om.

Van al jullie weldoeners
valt ook dit jaar weer een deel in de prijzen,
maar onderscheid is hier gratuit:

vrijwilliger is de vergrotende trap,
vrijwilligst – vrijwilligst bestaat niet.
Is immers niet per definitie vrijwilliger
welbeschouwd onovertroffen?


Natuurgeweld

In Boekhandel Praamstra werd de tentoonstelling Mooi Marginaal in Salon de Praam geopend. Margedrukker Bert Rigters, van Papyrus Private Press, heeft voor deze gelegenheid ambachtelijk een sonnet van mij gedrukt.

Natuurgeweld

Een plantje, teer en weerloos op het oog,
kwam ondanks alle wind en regenvlagen,
de sneeuw en ijzel van de laatste dagen,
geheel en al op eigen kracht omhoog.

Onstuimiger dan het decemberweer
is hier de blinde levensdrift gebleken,
die door geen storm of stortbui is te breken;
nog woester gaat de levenswil tekeer.

Ontembaar aangetrokken door de zon
ontvouwt zich hier eenvoudig wat moest blijken.
Je staat erbij en staat ernaar te kijken,
bespiegelt hoe eens jouw bestaan begon.

Dat jij er bent is, als je dit beziet,
misschien nog zo verbazingwekkend niet.


De Pieten

Waar men – langtenig, xenofoob – het hele jaar weer door
De kleurling maar ternauwernood verdroeg
Doet zich rond sinterklaas spontaan het omgekeerde voor:
De Pieten kunnen ons niet zwart genoeg


Het Noordenbergkwartier

Dit droeg ik voor op de jaarlijkse bijeenkomst van de Noordenbergers:

Hoe onverwoestbaar

Hoe onverwoestbaar ligt het hier,
rotsvast als een historisch feit,
welhaast een vanzelfsprekendheid:
het Noordenbergkwartier.

Waar naadloos nieuw met oud versmelt,
met monumenten zij aan zij
en gevelrij na gevelrij
in linies opgesteld.

Een schat aan authenticiteit 
die zelfs de tijd niet krijgt verwoest.
Alsof het niet ooit wijken moest
voor de grootschaligheid.

Als scheelde het niet ooit een haar
of de historie die de stad
de stad maakt die ze is, ging plat.
De plannen lagen klaar.

De ingezetenen ten spijt
was de bestemming – men dacht groots –
wat toegangswegen en ruimschoots
parkeergelegenheid.

Maar de bewoners boden er
fel weerstand aan, met hand en tand;
de plaatselijke middenstand
was dit een brug te ver.

Al stond de afbraak zwart op wit,
zij stonden op en vochten toch.
Maar wie kent nu de namen nog,
Van Essen, Peters, Smid?

Zij streden, zonder compromis,
en hebben hun gelijk gehaald
en zo zelfs het gezicht bepaald
van wat de stad nu is.

Het Stadsarchief, de Kranensteeg
de Nieuwe Markt, het Muggeplein,
het zou er domweg niet meer zijn
en het verleden zweeg…

Het is er nog. De buurt hield stand,
de straten hielden hun patroon,
de linde als een pinksterkroon
herleefd weer aangeplant.

Een stadswijk als een monument,
waarvan toch ooit de ondergang,
ondanks gemeentelijk belang,
maar net is afgewend.

Al was de kans van slagen klein.
Hier is destijds iets groots verricht.
Laat deze woorden, dit gedicht
daarom een ode zijn.

Als vanzelfsprekend ligt het hier,
met dank aan niemand minder dan
de moedige bewaarders van
het Noordenbergkwartier.


Tuinfeest

3 augustus 2019 werd ik bij de aftrap van het Tuinfeest als nieuwe stadsdichter geïnstalleerd. Voor de gelegenheid schreef ik dit gedicht:

Tuinfeest

Je kunt ze beter lezen, in je eigen tempo, ongestoord
Zodat je ook niet telkens al die dichterlijke toontjes hoort

Gezeten in je luie stoel geniet je een gedicht volmaakt
Niet zelden dat je ergens halverwege in vervoering raakt

Je legt de bundel eens terzijde, laat bezinken wat je las
Je blik dwaalt af, gedachteloos vergeet je even waar je was

Zo neem je ze het beste tot je, voor een optimaal effect
Toch loopt het storm als Bouwkunde een blik poëten opentrekt

Er lopen meer dan dertig dichters rond hier op dit tuinfestijn
Wel meer dan dertig! Berg je maar, één dichter kan al gortig zijn…

Maar zie, dit is een viering, het is straks in alle tuinen feest
Dit alles is ter ere van wat je normaal gesproken leest

Ter ere van het woord, de taal, de diepere betekenis
Die vrije vrijetijdsbesteding die gedichten lezen is

Die ingetogen bezigheid, inwendig, in zichzelf gekeerd;
In stilte wordt wat even stil geschreven is, geconsumeerd

Zo klein als poëzie kan zijn, zo introvert en een-op-een
Zo buitensporig vieren wij tot middernacht dit fenomeen

Dat brengt ons hier bijeen. En na zo’n dag, geheel en al voldaan
Kan iedereen in zijn cocon er weer een jaartje tegenaan

Verzadigd van dit festival, waar schoonheid nooit terrein verloor
Het kleine nog de ruimte krijgt, de stilte nog gehoor